Tijd voor een slopershamer

Elk land verdient de literatuur die het krijgt. Iets dergelijks althans lijkt de bekende Italiaanse criticus Filippo La Porta te zeggen in de inleiding van Kort Italiaans, een bloemlezing met korte verhalen van hedendaagse Italiaanse schrijvers die in Nederland nog niet eerder zijn vertaald. Italianen zijn van nature meesters in het elegant ontwijken of sluw bespelen van de `naakte, complexe realiteit', aldus La Porta. Als rasopportunisten en theatrale karakters kiezen ze niet voor verdieping en analyse maar cultiveren ze de uiterlijke schijn en zijn ze dol op trucs en vermommingen. Deze volksaard weerspiegelt zich in de literatuur, die volgens La Porta vooral uitmunt in het melodieus en virtuoos bezingen van de realiteit met een indrukwekkend arsenaal aan stijlmiddelen, (zinne)beelden en spelletjes. Dát is het leidende principe in de Italiaanse literatuurgeschiedenis en die attitude manifesteert zich zelfs nu nog met onverminderde kracht. Sterker nog: ondanks de globalisering die onmiskenbaar de Italiaanse letteren heeft overrompeld, blijven de hedendaagse schrijvers de traditie van de commedia dell'arte eer betuigen, blijven ze de werkelijkheid op een speelse maar weinig indringende manier benaderen.

Is het waar wat La Porta oppert? Wat betreft de maatschappelijke realiteit lijkt zijn gelijk onweerlegbaar. De door vele inwoners luid bejubelde leider van het land is er het overtuigendste bewijs van: een moderne Arlecchino die eens in de zoveel tijd het zomerreces benut om zijn voorkomen op te lappen zodat hij met een splinternieuw masker weer de politieke arena kan betreden en beduvelen. Maar de literatuur dan, voelt die zich juist niet geroepen tegengas te geven en dat gepommadeerde hoofd te scalperen? De bundel Kort Italiaans, waarin twintig hedendaagse Italiaanse auteurs acte de présence geven, biedt een uitgelezen mogelijkheid dit te toetsen.

Versnippering

Als effectiefste breekijzer om de code van dit boek te kraken dient wellicht het verhaal `Of het mooi was of niet' van Paolo Nori. Mooie bijkomstigheid is dat deze vertelling vertaald is door Tineke van Dijk, de (inmiddels overleden) initiatiefneemster van de bundel, die met geld van de door haar gewonnen Martinus Nijhoff Prijs dit project mogelijk heeft gemaakt. Het verhaal van Nori gaat over de Russische formalist Boris Eichenbaum die over een door hem gelezen boek allerlei imposante theorieën ontvouwt maar die niet in staat is zijn vrouw te vertellen of het een mooi boek is. Hij lijdt aan het Eichenbaumsyndroom, waarvan ook Nori zelf lange tijd slachtoffer is geweest, zo lezen wij. Door deze kwaal lette hij als lezer én als schrijver uitsluitend op `de plot, het taalgebruik, de stijl, de vorm, eenheid en coherentie, discontinuïteit en versnippering', zonder zich te bekommeren om de schoonheid van wat hij las of schreef. Nori ventileert hier zijn (nieuwe) literatuuropvatting en hij doet dat enigszins (en met de nodige ironie) in een vorm die de Russische formalisten kon bekoren: met afwijkend en afwisselend taalgebruik en een in partjes gesneden tekst. Inhoudelijk steekt hij dus de draak met de principes van de formalisten en door middel van de vorm ironiseert hij die.

Met zijn verhaal wil Paolo Nori zich ogenschijnlijk afzetten tegen de de-automatiseringsgedachte. Hij pleit, zij het met de nodige kwinkslagen en dwaalsporen, voor een literatuur die in de eerste plaats leesbaar is, `mooi', vrij van vormtechnische vondsten. Dit standpunt lijkt te worden verkondigd door vrijwel alle verhalen in deze bloemlezing. Of het nou gaat om de doldwaze avonturen van een immorele advocaat (Sandro Dazieri), de liefdestroebelen van schilder-douanier Henri Rousseau (Laura Pariani), de schuldgevoelens van een potentiële moordenaar (Marco Drago), het vlammende verlangen van een man naar de haardos van een stropdassenverkoopster (Tiziano Scarpa) of het gedoofde verlangen van een vrouw naar een getrouwde minnaar (Grazia Versani), en de schelmse inburgering van een Senegalese straatverkoper in het spotlustige, soepele en sexy verhaal van Piersandro Pallavacini: afgezien van wat komische special effects treffen we hier geen ontregelende kunstgrepen aan, geen taalvondsten, geen literaire grensverkenningen. Hier wordt geen onderzoek verricht naar nieuwe vertelmethodes, maar tamelijk traditioneel een verhaal verteld. Hier gaat het hoofdzakelijk om wát er verteld wordt, en hier wordt dus ondubbelzinnig van kracht wat Schopenhauer ooit poneerde: `De eerste, in zijn eentje zelfs vrijwel toereikende regel van een goede stijl is dat je iets te zeggen hebt.'

Hoe zit het daar dan mee? Hebben deze schrijvers werkelijk iets te melden, dat wil zeggen: is hier sprake van fictie die ertoe doet, die de werkelijkheid in een striemend licht plaatst, of eerder van `fictie die de angel eruit haalt', zoals de criticus La Porta schrijft? Helaas is men na lezing van deze bundel geneigd La Porta gelijk te geven. Geen enkel verhaal is werkelijk schrijnend, een schaafwond die dagenlang dreint: `ik ben er nog steeds!' Geen enkel verhaal is onontkoombaar of een verpletterend bewijs dat de Italiaanse vertelkunst vuurgevaarlijk is. Opvallend is dat nogal wat verhalen handelen over mannen die ervandoor gaan, om te gehoorzamen aan de laatste wil van hun vader (Claudio Piersanti), of op de vlucht voor zichzelf (Marco Drago en Elena Stancanelli), voor een leger prelaten (Antonoi Moresco), voor een onheilsprofetie (Silvia Magi). Als zodanig zijn die verhalen ontsnappingsclausules, voor de personages, maar ook voor de schrijvers, die de realiteit uitbeelden en opsmukken in plaats van deze met open vizier en meedogenloos tegemoet te treden. Het is actie in plaats van contemplatie, pantomime in plaats van wapengekletter.

Een poging tot meer verinnerlijking vinden we in de verhalen van Ugo Cornia, Giulio Mozzi, Enrico Remmert, Gabriele Romagnoli en Dario Voltolini. Hier dient het concrete (het ochtendlicht, verbrijzeld glas, een voetbalpartijtje, een koffer, een papieren vlieger) als vertrekpunt voor een abstracte mijmering, de anekdotiek mondt uit in een filosofische tournure, uit de beschrijving vloeit een analyse voort. Hier wordt een poging ondernomen een geheim te ontraadselen en de `verwarrende volheid van het leven' (Cornia) het hoofd te bieden. Het oog van de schrijver wordt dan een oog dat niet wil wegkijken maar dat doorvorst, zoals letterlijk het geval is in het geslaagde verhaal van Valerio Aiolli: `Hij keek naar alles. [...] het was zijn oog dat heel zijn wezen was geworden.' Vooral bij Voltolini en Romagnoli krijgt dit proces van observeren en analyseren ontegenzeggelijk allure.

Grimas

Toch blijven ook deze verhalen exercities die eerder een vertederende glimlach dan een verontruste grimas bewerkstelligen. Haast verontschuldigend en retorisch listig besluit de criticus La Porta zijn inleiding met de vaststelling dat de voorkeur van de Italiaanse vertelkunst voor speels en enigszins oppervlakkig proza als vademecum kan dienen om een weg te vinden in een wereld die wordt gedicteerd door uiterlijk vertoon, simulaties en virtueel gegoochel. Daarmee maakt hij zich echter schuldig aan hetzelfde gedrag dat hij de schrijvers in de schoenen schuift. Een dergelijke conclusie is niet alleen een zwaktebod maar ook een slinkse uitvlucht. De hedendaagse werkelijkheid is juist gebaat bij ontmaskeraars, slopers en iconoclasten van het type Houellebecq. De Tarantino's hebben daarentegen een zeer beperkte houdbaarheid.

Afgezien van bovenstaande bezwaren is de bundel Kort Italiaans een buitengewoon prijzenswaardig initiatief dat navolging verdient. Het zou mooi zijn als er elk jaar een bloemlezing kan verschijnen met in Nederland nog onbekende Italiaanse verteltalenten. Niet alleen om de balans op te maken, maar ook om de Nederlandse uitgevers de kans te bieden naar hartelust te vissen in deze kweekvijver.

Kort Italiaans. Verhalen van hedendaagse Italiaanse schrijvers.

Uit het Italiaans vertaald door diverse vertalers. Wereldbibliotheek, 158 blz. €14,90 en (tweetalige editie) 304 blz €17,90

Vanavond heeft bij Maatschappij Arti et Amicitiae in Amsterdam een bijeenkomst plaats ter gelegenheid van de verschijning van `Kort Italiaans' (20.15 uur). Maarten Asscher spreekt (in het Engels) met auteur Marco Drago en criticus Filippo La Porta. Cok van der Voort brengt een eerbetoon aan vertaalster en Nijhoff-prijswinnaar Tineke van Dijk.

    • Peter Drehmanns