Schrijven om een gloeiende kern

Sommige ongelukkige gezinnen lijken op elkaar. Wie de familieleden uit Manon Uphoffs roman Gemis uit 1997 nog helder voor de geest heeft staan, komt in haar nieuwe roman Koudvuur bekende mensen tegen: de wat oudere vader met een baan in de statistiek, de kettingrokende moeder, de gehandicapte broer, de broer op de lts, het verlegen vriendje en de hoofdpersoon zelf: het in vele opzichten onverschrokken opgroeiende meisje dat in Gemis Mara heette en dat in Koudvuur een naam heeft die óók verwijst naar de voornaam van de auteur: Ninon.

Omdat ook andere namen zijn veranderd met behoud van associaties (van Nicolaj naar Sasja) en ook gebeurtenissen je bekend voorkomen – de ontmaagding door een man uit Hongkong – is al snel duidelijk dat de twee romans een uitgangspunt delen. Zoals Uphoff trouwens al eerder verwante decors gebruikte voor haar novellen De vanger en De bastaard. Ook in de vorm is Koudvuur verwant aan Gemis: vier hoofdstukken en een korte cursief gedrukte epiloog waarin de dochter het woord neemt, al doet zij dat in de nieuwe roman ook in een proloog.

En ook een minpuntje van Gemis – dat het boek te veel een opeenvolging van korte verhalen is en de dwingende eenheid van een roman mist – gaat op voor Koudvuur. In het begin lijkt het een roman die vooral gaat over de vader en de moeder in het gezin, en dan verplaatst de actie zich naar het huis van een halfzus, om via het uitgaansleven van dochter Ninon weer te eindigen bij de fysieke aftakeling van de ouders. Een hiërarchie lijkt te ontbreken, waarom Uphoff deze verhalen in een romanvorm heeft gegoten is eigenlijk een raadsel.

Niet dat dat raadsel je veel kan schelen; daarvoor is Uphoff te goed. Je hoeft maar een paar bladzijden in Koudvuur te lezen om je mijlenver verwijderd te weten van overwegingen van romantechnische aard. De dwingende, precieze zinnen van Uphoff hebben je dan allang vastgezet. Er zijn weinig Nederlandse schrijvers die zo goed in staat zijn om een persoon, relatie of gebeurtenis in een paar woorden neer te zetten. Neem de derde alinea van het boek. Er staat: `De kinderen houden van de geur van hun moeder, die even dik en zoet is als van gekookte pap, en soms, wanneer ze hun hoofd in haar schoot drukken, een beetje vissig. Ze heeft roodgelakte teennagels in open slippers. Als ze door de kamer loopt in haar geborduurde ochtendjas is het vinnige geklepper van haar houten hakken overal te horen.'

Hier toont Uphoff in drie zinnen hoe de vork in de steel zit in het gezin Borgkin: een moeder naar wier warmte de kinderen verlangen, maar wier roodgelakte teennagels een zekere afstand suggereren en van wie de vinnig klepperende hakken een ongetwijfeld onbedoelde dreiging uitstralen. Het staat er niet, maar je weet dat deze vrouw goed kwaad kan worden. Dat zal ook blijken, van voor de hand liggend gemopper tot slaande ruzie met haar echtgenoot en het dreigement om uit het raam te springen. Wat weer alles te maken heeft met de dood door een ongeluk van een van de kinderen, aan wie wordt gerefereerd als Kaj-indehemel. Meestal wordt er echter over hem gezwegen, behalve als de gehandicapte zoon Ferdinand er een pijnlijke herinnering uitflapt.

Op een zelfde manier wordt de vader geïntroduceerd, als de spannende man die 's avonds het vlees komt snijden, een strenge, vriendelijke reus die af en toe uit zijn slof schiet. En even mooi worden twee van zijn dochters uit een eerder huwelijk ten tonele gevoerd, van wie Toddie `zachter en ronder' is dan haar zus Sill. Diezelfde Toddie kan maar geen weerstand bieden aan de verkeerde kerels, tot een pedofiele psychopaat aan toe. Haar woning is enige tijd een tweede thuis voor de jongere kinderen, tot die liefde slijt: `Af en toe gaan de kinderen nog naar het huis van Toddie. Maar Toddie is ze gaan vermoeien, zoals een stukgekauwd knuffelbeest dat je later langs wand en muren sleept.'

De setting, de structuur en de kwaliteit uit Gemis mogen terugkomen in Uphoffs nieuwe roman, toch is Koudvuur niet méér van hetzelfde. In die eerste roman concentreerde Uphoff zich op de zoektocht van de vrouwelijke hoofdpersoon, die zich (voortgedreven uit het gemis uit de titel) met doodsverachting in het grotemensenleven stort, op zoek naar intimiteit en gefascineerd door machtsverhoudingen. Ook de dertienjarige Ninon gaat in Koudvuur gemakkelijk mee met een oudere Chinees en laat ook anderen vrijelijk met haar rotzooien uit een ongericht gevoel van generositeit. Later wordt ze de `koningin van de discotheek', die zorgdraagt `voor haar lichaam en uiterlijke verschijning alsof het gaat om technische of medische instrumenten'. Ik ben nergens bang voor, vertelt ze zichzelf als ze bijna wordt verkracht.

Haar experimenteerdrift uit ze echter ook op een andere manier: ze gaat schrijven. Eerst nog halve kindergedichten, later duistere verhalen over een jongen die, uit liefde en op verzoek, de voet van zijn vriendinnetje amputeert. Je herkent er de obsessies van de schrijfster Uphoff in, maar belangrijker is dat je ziet hoe Ninon een bestemming vindt voor haar fantasieën, zonder dat ze zichzelf fysiek overlevert aan de grillen van vreemde mannen in donkere danstenten.

De uitspattingen van de dochter zijn in deze roman echter niet de hoofdzaak. Het gaat in Koudvuur niet meer om de vlucht uít het gezin, niet meer om een gemis, maar om wat er wél is tussen Ninon, haar ouders, broers en zussen – of wat ze onderling proberen af te dwingen. Dat is, de titel in gedachten, een vorm van koudvuur: de vonken die van sterretjes afkomen, waar je je niet aan kunt branden. Want terwijl de aftakelende ouders steeds onbereikbaarder worden, proberen de kinderen van het gezin er nog iets van te maken – van dat familiegevoel. Prachtig zijn daarbij de passages waarin de laatst overgebleven zoon in huis, Sasja, het leven voor zijn zieke vader draaglijk probeert te houden. Door deze oude man van dienst te zijn, maar vooral door de andere gezinsleden de wet voor te schrijven zoals vader dat vroeger zelf deed – met wisselend succes.

Nu weet ieder kind dat koudvuur niet bestaat, althans dat het ontspringt aan een kern die wel degelijk gloeiend heet is en dus gevaarlijk. In het gezin is die kern een mengsel van verdriet en frustratie bij de ouders (over het dode kind, over hun huwelijk en over gemiste kansen in het leven), die ook bij de kinderen een gat heeft geslagen. Steeds weer proberen de familieleden dat pijnlijke midden te ontwijken – waarmee ze noodzakelijkerwijs ook elkaar ontwijken.

In die spanning tussen het zoeken naar elkaar en de angst voor elkaar schuilt de kracht van de roman. Er gaat geen moment van ontspanning voorbij in Koudvuur of Uphoff roept een sfeer van angst en dreiging op. Die des te sterker wordt door het onbedwingbare verlangen van de kinderen om naar de kern van het gezin toe te bewegen. De enige die daar een bevredigende oplossing voor vindt is uiteindelijk Ninon, de schrijfster, die de vonken uit het vuur laat springen en zo haar eigen koudvuur maakt. En ze heeft veel met haar schepper gemeen. Zo draagt het eerste verhaal dat Ninon gepubliceerd krijgt de titel `Shit', terwijl Uphoff zelf doorbrak met `Poep' – inmiddels een klassiek kort verhaal over een machtsstrijd tussen een oudere heer en een dame in een park. Zo is Koudvuur niet alleen een aangrijpend familieportret, maar ook een boek dat raakt aan de kern van Uphoffs schrijverschap.

Manon Uphoff: Koudvuur. De Bezige Bij, 176 blz. €22,50 / €17,50

    • Arjen Fortuin