Poesjkins kaarslicht

Een man is verliefd. Zie hem zitten, in de kamer, in de nacht. Hij denkt aan zijn geliefde. Dit is wat hij schrijft: `Mijn stem klinkt op, voor jou vol streling, vol verlangen.' Het moet rijmen, dus zo gaat hij verder: `in 't late zwijgen van de donkere nacht gevangen.' Er is een kaars, `een droeve kaars', en die `spreidt wat licht'. We zien het voor ons, we denken aan een zeker radioprogramma, we zijn niet verbaasd over het vervolg: `van jou, geheel van jou vervuld, vloeit mijn gedicht'. En zo verder: rivier van liefde, zacht kabbelende stromen, gedachten over haar glinsterende ogen en over haar stille lach. Slotregel, rijmwoord op in: `mijn teder lief, ik ben van jou... die ik bemin...'.

Het zou de tekst van een candlelight-gedicht kunnen zijn. Niets bijzonders, dertien in een dozijn. Het enige bijzondere eraan is dat het van Poesjkin is, Aleksandr Sergejevitsj Poesjkin (1799-1837), de Russische dichter. Hij schreef het in 1823, of 1824, in Odessa. Daar was hij als ambtenaar gestationeerd, omdat de autoriteiten in Petersburg vonden dat hij zich wat al te frivool, en wat al te vrijheidslievend gedroeg. Het liefdesgedicht is waarschijnlijk bestemd geweest voor Amalia Riznitsj, de dochter van een Weense bankier die gehuwd was met een schatrijke koopman uit Odessa. Met deze Amalia had Poesjkin een verhouding. Het klinkt allemaal machtig interessant: verbanning, bankiersdochter, geheime liefde, overspel. Maar daar wordt het gedichtje natuurlijk niet beter van.

Toch dient het volgens de deskundigen gerekend te worden tot het mooiste van Poesjkin, want het is nu opgenomen in de bloemlezing De mooiste van Poesjkin. In zijn inleiding spreekt prof. dr. Thomas Langerak van `een prachtig liefdesgedicht'. Zou hij dat ook gevonden hebben als er een andere naam onder had gestaan, van Harry bijvoorbeeld, zonder achternaam, tot de kerst nog even verblijvend in een niet nader te noemen penitentiaire inrichting, speciaal opgedragen (nu horen we vanzelf de stem van Jan van Veen van Candlelight) aan zijn lieve vriendin Elly die hij heel erg mist?

Dat is natuurlijk altijd de vraag. Ik zag in de bloemlezing eerlijk gezegd nog wel meer voorbeelden van onbijzondere poëzie, met afgesleten wendingen, voorspelbare herhalingen en zouteloze wijsheden. `De uitgedoofde vreugd der wilde jaren/ blijft als een doffe roes mijn hart bezwaren.' Zo begint een elegie. En even zakkig gaat het verder: `De droefheid om 't verleden zal als wijn/ bij 't ouder worden des te sterker zijn'.

We lezen hier regels van iemand die volgens alle naslagwerken en ook volgens prof. dr. Thomas Langerak, `algemeen wordt beschouwd als Ruslands grootste dichter'. Hij is van de buitencategorie van Shakespeare en Dante. `Hij is de allergrootste en zijn genie kan nooit meer overtroffen worden.' Over zijn status is iedereen het eens, en over zijn poëzie spreekt men graag elkaars naslagwerkzinnen na: `een meesterlijke vormbeheersing en een zuiver gevoel voor de mogelijkheden van de Russische taal', wat dat ook maar moge betekenen. Maar waarom springt mijn hart dan zo zelden op bij het lezen van de hoogtepunten van deze erkende klasbak?

Heeft de vernieuwer Poesjkin zoveel invloed uitgeoefend op de twee eeuwen na hem, dat wat met hem begon nu gemeengoed is? Dat schijnt voor de Russische literatuur en voor de Russische taal wel het geval te zijn. Dan is er ook nog zoiets als mode. Poesjkin zou goed zijn in genres (het lange verhalende gedicht, de ode, het historische gedicht) die nu niet meer zo aanspreken. Of de genres zijn verschoven in de hië-

rarchie: het romantische liefdesgedicht uit Poesjkins tijd vinden we nu terug bij Candlelight. Het bezonken vers over de loop der seizoenen en de natuur zou nu in dichterlijke kringen niet meer en vogue zijn. De redenering is dan dat Poesjkin zelf eigenlijk nog kakelvers is, maar dat de ellendige tijdgeest nu alweer twee eeuwen lang de blik op zijn werk verstoft.

Of zou het aan zijn stijl liggen? Van Poesjkin wordt gezegd dat hij zo soepel, vlot, snel en ritmisch schreef, in een volstrekt natuurlijke stijl, zonder onbeholpenheden, met een helder woordgebruik. Als dat zo is, dan moet de conclusie misschien wel zijn dat het grootste bezwaar tegen Poesjkin zijn gebrek aan gebreken is. Geen zwakke punten, geen grillen, geen tics. Karel van het Reve, in zijn Geschiedenis van de Russische literatuur: `Bij Poesjkin komt daar de moeilijkheid bij, dat zijn werk zo ,,gewoon'' is.'

En als een vertaler zich dan ook nog eens veilig op de vlakte houdt, en zeker niet ongewoner wil zijn dan de gewone dichter, en keurige rijmparen verzorgt waar de originele tekst om rijmparen vraagt, dan blijft er alleen maar een gladde buitenkant over, een perfect gepolijste vorm, waarachter zich een brave negentiende-eeuwse dichter blootgeeft. Historisch interessant, dat natuurlijk weer wel.

Misschien dat ik daarom nog wel geraakt werd door een van Poesjkins latere gedichten, uit 1835. Zonder rijm, zonder titel, zo te zien zonder veel structuur. In de eerste regel begint hij gewoon te vertellen, als in een brief. `Laatst bezocht ik weer/ het stukje land waar ik, onmerkbaar haast,/ als banneling twee jaren heb gesleten.' Het is een herinnering aan het gewongen verblijf op het familielandgoed Michajlovskoje, in de buurt van Pskow, in de jaren 1824–1826, waar hij wegens al te liberale en al te godslasterlijke geschriften naartoe verbannen was. Zijn njanja (voedster) hield hem gezelschap. `Kijk, hier staat het huisje/ waarin ik met mijn njanja heb geleefd.'

Zo leidt hij ons rond over het terrein, en het is wel duidelijk dat dit nieuwe bezoek hem ontroert. `Op deze dichtbeboste heuvel heb ik/ vaak ademloos gezeten en ik keek/ dan naar het meer, in droef gepeins verzonken/ en zag weer andere oevers, andere golven.' De toon is bijna kinderlijk. Hij ziet een visser op het meer, die `zijn karig net' sleept. Hij ziet in de verte een molen, die is `scheefgezakt'. De molen probeert zijn wieken in de wind te laten draaien, maar het draaien gaat `moeizaam'. Dat is al bijna weer humoristisch, zoveel tegenslag.

Hij voert ons verder, naar een andere veelbezochte plek, waar op een heuvel drie dennen staan. Hij herinnert zich het ruisen van hun toppen in de wind en ook nu klinkt weer hun vertrouwde geruis. Aan de voet van twee van deze dennen is `een bosje opgeschoten, jeugdig, fris'. Dat klinkt veelbelovend. `Een groen gezin'. Mooi gezegd. `Hun kroost verdringt zich/ in de beschutting van het naaldendak.' We zien het voor ons. En die derde den? Die staat nog net als vroeger een eindje verderop. Hij heet `hun norse vriend', hij is alleen gebleven, `een oude vrijgezel'. Ook mooi gezegd. Poesjkin stelt zich dan voor dat het jonge bosje zal opschieten en geleidelijk zijn drie dennen aan het oog zal onttrekken.

De symboliek van de opeenvolgende generaties ligt er dik bovenop. Zo boom, zo dichter. Poesjkin hoopt dat zijn kleinkind hier later ook zal lopen, en net als hij ook midden in de nacht het ruisen zal horen, maar dan het ruisen van de toppen van het nu nog groene gezin. Het is de aloude wens om niet te sterven. Het is ook het aloude gegeven van de stem van de dichter die voortleeft op de wind en die blijft ruisen in de toppen van de bomen. Geen nieuwe gedachte, maar het beeld is sterk, en grappig, met die norse vrijgezel. En de formulering overtuigt, zo zonder rijm.

De mooiste van Aleksandr Sergejevitsj Poesjkin. Vertaald door diverse vertalers. Redactie Koen Stassijns en Ivo van Strijtem. Lannoo / Atlas. 160 blz. €16,50

    • Guus Middag