Niet bij stam alleen

Wat is het verband tussen cultuur en persoonlijkheid? Is er zoiets als een `Arabische mentaliteit'? Een Amerikaanse psycholoog zoekt naar verbanden, zonder in de valkuil van de vooroordelen te vallen.

Stereotypen over het Midden-Oosten, Arabieren en de islam zijn na `11 september' om begrijpelijke redenen opnieuw populair. De verwerking van de aanslag bracht een tweede jeugd voor sleetse boeken als The Arab Mind van Raphael Patai, of The Closed Circle van David Pryce-Jones, waarin met koloniale stelligheid `de Arabische mentaliteit' wordt geschetst. Vaste ingrediënten daarin zijn: een neiging tot irrationalisme en fanatisme, waardering van de groep boven het individu en een obsessie met een `tribale' erecode. Het boek van Patai staat inmiddels op de leeslijst van het U.S. Army John F. Kennedy Special Warfare Center. Het werk van David Pryce-Jones wordt in Nederland aanbevolen door Ayaan Hirsi Ali en geldt als een gezaghebbende bron in Herman Philipses aanklacht tegen de dreigende `tribalisering van Nederland'. Beide boeken grossieren in generalisaties, waarin de echo's van negentiende-eeuws oriëntalisme eindeloos weerkaatsen.

Nu is `culturele psychologie' op zichzelf een prikkelend vak, mits het verre blijft van dit soort ouderwetse, gepolitiseerde volkenkunde. De Amerikaanse antropologie kende in de twintigste eeuw al een invloedrijke school die het verband tussen cultuur en persoonlijkheid onderzocht, mede onder invloed van Freud en de marxistische maatschappijkritiek. Kopstukken waren Margaret Mead, die een baanbrekend – en fel omstreden – onderzoek deed naar de puberteit op Samoa, en Ruth Benedict, die premoderne culturen onder de loep nam. Ook toen was de politiek een opdrachtgever: Mead en Benedict leverden beiden patriottische diensten aan het Amerikaanse ministerie van Oorlog, dat behoefte had aan studies naar het `nationale karakter' van de vijand.

Begrippen als nationaal karakter en Volksgeist kwamen in de jaren na de oorlog in een kwade reuk te staan. Maar de studie naar cultuur en persoonlijkheid kreeg een nieuwe impuls in de jaren vijftig, mede door het werk van de Frankfurter Schule. Uitgeweken Duitse auteurs als Hannah Arendt, Herbert Marcuse en Erich Fromm legden een verband tussen de opkomst van het fascisme en de vorming van een autoriteitsgevoelige persoonlijkheid.

Culturele psychologie is nu uitgegroeid tot een discipline die een verband zoekt tussen culturele codes, persoonlijkheid en levensloop, zonder te vervallen in etnocentrische clichés. Gary S. Gregg kwijt zich daar met bewonderenswaardige energie van in The Middle East. A Cultural Psychology. Aan de hand van literatuuronderzoek en eigen veldwerk in Marokko, probeert hij in kaart te brengen welke invloed de culturele codes van landen in het Midden-Oosten hebben op de vorming van de persoonlijkheid en de individuele levensloop. Daarbij houdt hij in de gaten dat `traditionele' en `moderne' samenlevingsvormen in de regio door elkaar lopen en, helaas voor opiniemakers, niet in handzame oneliners te vangen zijn. Het Midden-Oosten beleeft onder alle politieke en economische stagnatie een periode van Sturm-und-Drang die het mijmeren over harems, kruistochten en het kindhuwelijk van de Profeet tot een merkwaardig frivool tijdverdrijf maakt.

Gregg wijst alle clichés resoluut van de hand, maar gelukkkig zonder door te slaan naar het postmoderne tegendeel, dat zich beperkt tot deconstructie van onze `beeldvorming'. Samenlevingen in het Midden-Oosten kennen inderdaad een sterke erecode, schrijft hij, die scherp omschreven sociale rollen kent voor mannen en vrouwen. Dat is feit één. Daarnaast speelt de islam ook zeker een grote rol, feit twee. Maar de zaken liggen ingewikkelder dan de clichés suggereren. Zo is die fameuze erecode geen simplistische richtlijn, maar een geheel van `gestileerde sociale relaties', waarin persoonlijke eer wordt afgewisseld met een `etiquette van bescheidenheid'.

In kort bestek rekent Gregg eerst af met een hele reeks misverstanden. Het etiket `tribalisme' dat vaak op samenlevingen in het Midden-Oosten wordt geplakt, miskent zowel de dynamiek van stad en platteland als het diffuse karakter van het begrip `stam', dat vaak maar wat ad hoc wordt gebruikt. Tribalisme staat bovendien helemaal niet haaks op individualiteit, maar wakkert die juist aan: `de ware man staat alleen', luidt een spreekwoord. De patriarchale erecode van het Midden-Oosten is ook niet `typisch' voor islamitische culturen, maar een cultuurkenmerk van het hele meditterane gebied: zie Zuid-Italië en Spanje.

Gregg verwerpt ook de notie van een `oosters' fatalisme dat vooruitgang in de weg zou staan. Fatalisme is een contextgebonden houding die in de islam niet meer voorkomt dan in boeddhisme of christendom. Terrorisme, ten slotte, heeft geen `typisch' Arabische bronnen, maar ontstaat juist in milieus waar cultuur en tradities al zijn ondermijnd door het proces van modernisering.

Na het puinruimen begint het echte werk. Gregg gaat uit van een klassiek model van culture areas en van een levensloop in fasen, onder meer ontleend aan Erik Erikson. De `sociale ecologie' van het Midden-Oosten en Noord-Afrika wordt gekenmerkt door traditionele symbiose van landbouw en veehouderij, langdurige dialectiek van stad en platteland, spanning tussen de eisen van een erecode en die van de islam, een patriarchale en endogame verwantschapssysteem (trouwen binnen de groep), en een publiek domein gedomineerd door `familieachtige' groepen, en persoonlijke relaties tussen patroon en cliënt.

In het uitgebreidste deel zet Gregg de levensfasen in het Midden-Oosten uiteen in traditionele en moderne milieus, van geboorte tot volwassenheid. De moraal van de erecode, die de samenhang van de groep garandeert, is tweeledig en dicteert voor mannen een agressieve houding tegenover andere mannen, en een beschermende tegenover eigen vrouwen. Een groot deel van de opvoeding bestaat uit de internalisering van die waarden, naast die van de islam, die de nadruk legt op genade, reiniging en zuiverheid van het individu.

Gregg hecht veel waarde aan het feit dat samenlevingen van het Midden-Oosten horen tot de zogenaamde sling culturen, waarin de moeder de baby lang op het lichaam draagt, en niet tot de cradle culturen waarin het apart in de wieg wordt gelegd. In die `pediatrische' benadering worden prikkels zoveel mogelijk beperkt om een gevoel van veiligheid te creëren (en om bij schaarse middelen het calorieverbruik van de baby laag te houden). Het contact tussen moeder en kind is fysiek en vooral non-verbaal. In de `pedagogische' benadering, die nu dominant is in het Westen, wordt het kind juist gestimuleerd en geprikkeld, en is er meer verbaal contact, van aangezicht tot aangezicht. Gregg kan het niet laten hier zelf te generaliseren en suggereert voorzichtig een verband met de `levensvisie' van Arabisch-islamitische landen, waarin de voedende waarde van de familie (en de ontfermende van God) een centrale plaats heeft.

Na de eerste fase van symbiose met de moeder, wordt die band tamelijk abrupt verbroken wanneer het kind kan lopen en praten, en worden kinderen juist aangemoedigd te concurreren om aandacht, affectie en voedsel. Het ideaal is wat Gregg noemt `assertieve afhankelijkheid'. Tussen het zevende en twaalfde jaar, ongeveer, volgt de besnijdenis. Die betekent ook: inwijding in de erecode, en een splitsing in rolpatronen, die voor meisjes disempowerment inhoudt, een sterk verlies aan zeggenschap over het eigen leven. De opvoeding is daarna doorgaans autoritair, en stimuleert conformisme aan de groepscode. Gregg ziet overigens geen verband tussen dit paternalisme en het autoritaire karakter van regimes als dat van Saddam Hussein, dat specifiek moderne bronnen heeft. In de latere volwassenheid vindt ten slotte vaak een zekere `omkering van rollen' plaats, waarbij mannen hun machismo matigen en vrouwen op hun beurt winnen aan gezag en macht in allerlei familieaangelegenheden.

Greggs indeling is zeker verhelderend, hoewel nogal gehandicapt door het feit dat hij zelf alleen veldwerk deed op het platteland van Marokko (waarvan ook alle foto's in het boek afkomstig zijn); niet voor niets doet hij talrijke aanbevelingen voor nader onderzoek. Interessant is vooral zijn beschrijving van de adolescentie, nu meer dan ooit een periode van stress. Voor jongens betekent de besnijdenis van oudsher een `verhoogde onzekerheid' over hun mannelijkheid, die vaak pas tot rust komt na de geboorte van een zoon (naar psychologische effecten van vrouwenbesnijdenis is nog maar weinig onderzoek gedaan). Dat geldt nog heviger, nu de `droom' van vrijheid en persoonlijke ontplooiing steeds meer jongeren in zijn greep heeft gekregen – zonder de mogelijkheid die uit te leven.

Gregg herkent onder de jeugd een hang naar `modernisering binnen de traditie': meer zelfontplooiing, vrijheid en welvaart, binnen de kernwaarden van familie en godsdienst. Maar kan dat? Gregg ziet de contouren van een `op familie gebaseerde prestatie-mentaliteit', vergelijkbaar met die van Japanners. Deze jeugd laveert tussen conformisme aan en verzet tegen hun culturele codes. Dat laatste is weer een cliché, maar wel één dat grote zeggingskracht krijgt door de open manier waarop Gregg zijn culturele psychologie invult. Taaie kost voor de Special Forces, misschien, maar beter dan opgewarmd oriëntalisme.

Gary S. Gregg: The Middle East. A Cultural Psychology. Oxford University Press, 458 blz. €45,49

    • Sjoerd de Jong