Laat Feynman toch kletsen

Als er naast Einstein één wetenschapper is die een welhaast mythische status heeft bereikt, dan is het Richard Feynman, de even originele als eigenzinnige natuurkundige en Nobelprijswinnaar voor zijn theorie die de speciale relativiteitstheorie en de quantummechanica met elkaar verbindt. Het grote publiek leerde hem kennen via zijn boeken Surely You're Joking mr Feynman, verzamelingen van anekdotes over hoe hij Maya-codes ontcijferde of de kluizen opende waarin de Amerikaanse atoomgeheimen opgeslagen lagen, en via zijn televisieoptredens, waarin hij naar voren kwam als een gewone New Yorker, met een meer dan gezond verstand en een groot plezier in het oplossen van (wetenschappelijke) problemen. Na zijn dood in 1988 volgde er een stortvloed aan boeken, cd's en zelfs een toneelstuk (QED) dat op Broadway veel succes oogstte.

De recentste toevoeging aan de lijst van `Feynmania', is een selectie van zijn talloze brieven, bijeengebracht en van commentaar voorzien door zijn dochter Michelle. Ze beslaan zijn hele leven, van zijn eerste verblijf buitenshuis in 1939 als student aan de universiteit van Princeton, tot aan de brieven die hij schreef vlak voor zijn dood in 1988. Voor een deel zijn ze kort en zakelijk – aanbevelingen, bedankjes –, maar overwegend sprankelen ze van zijn humor en wijsheid en geven ze een goed inzicht in zijn karakter. Feynman was wars van decorum en had een hekel aan eerbetoon. Hij wees steevast eredoctoraten af, omdat die afbreuk zouden doen aan iedereen die voor zo'n titel had moeten werken, en hij trok zich terug als lid van de Amerikaanse Academie van Wetenschappen. De briefwisseling die daaraan is gewijd, is ronduit hilarisch. Het bestuur weet zich aanvankelijk totaal geen raad met Feynmans opzegging en weigert hardnekkig om eraan te voldoen. Pas na twee jaar slaagt Feynman erin de Academie ervan te overtuigen dat zijn stap geen impliciete kritiek inhoudt, maar het gevolg is van een `vreemde afwijking in mijn persoonlijkheid die zich voordoet als reactie op eerbewijzen'.

Het indrukwekkendst is de briefwisseling met zijn eerste vrouw Arline, die op jonge leeftijd aan tbc zou overlijden. In een van de ontroerendste brieven richt Feynman zich in zijn wanhoop tot Arline alsof zij iemand anders is: `Ik heb een probleem waar ik geen raad mee weet en waar ik met je over wil praten. Misschien weet jij wat ik moet doen', om dan plotseling in zijn eigen rol terug te vallen: `Ik begrijp eindelijk hoe ziek je bent. Het spijt me dat ik je heb laten vallen, dat ik geen steunpilaar voor je heb kunnen zijn.' Volgens Michelle Feynman zijn deze brieven versleten `alsof hij ze keer op keer heeft herlezen.'

Behalve aan familie en vrienden zijn er ook brieven aan volslagen onbekenden, die Feynman meestal als Nobelprijswinnaar benaderen, iets wat hij hartgrondig haatte. Desondanks neemt hij telkens de tijd voor elke briefschrijver. Of het nu scholieren zijn die vragen wat ze moeten doen om net als hij te worden (`doe wat je leuk vindt en luister niet naar Feynman') of gestoorden die menen een manier gevonden te hebben om dingen onzichtbaar te maken of van hem willen weten of hij in staat is dromen vast te leggen op video. Hij neemt iedereen serieus, en antwoordt steeds met veel begrip en inlevingsvermogen. Het is misschien wel in díe brieven dat hij het meest van zichzelf laat zien.

Don't You Have Time to Think?: Letters from Richard Feynman. Allen Lane, 486 blz. €34,50