Kannibaal uit overtuiging

Het najagen van idealen kan tot excessen leiden, dat is bekend. Maar dat het zelfs kan leiden tot vrijwillige castratie, borstafsnijding en kannibalisme, mag verrassend worden genoemd. Toch is dat het geval geweest, zo blijkt uit de roman Uit liefde van het volk van de Britse schrijver en oorlogsverslaggever James Meek.

Hij situeert zijn vertelling in Siberië waar een groep `skoptzy' (letterlijk: castraten) leeft die ontmanning beschouwen als middel tot puurheid. Ook Meeks opgevoerde kannibaal berust op historische feiten. Iemand die op reis ging nam graag een medereiziger mee, voor het geval de nood aan de man kwam.

Het zijn twee fascinerende gegevens die Meek niet alleen met elkaar in verband weet te brengen, maar ook nog met een derde historisch feit vermengt. In het Siberië van 1918-1919 bleef er een groep Tsjechen achter die na de Eerste Wereldoorlog niet meer naar huis kon omdat ze werd tegengehouden door het Rode Leger. Ze zaten als ratten in de val en ze werden vergeten door het thuisfront.

Vier groepen – kannibalen, castraten, revolutionairen en vergetenen – worden historisch samengevoegd in een goed lopend verhaal waarbij je geen moment het idee hebt dat de auteur zich ervan afmaakt met de mededeling: het is misschien wel raar, maar zo ging het nu eenmaal. Het gaat Meek om meer dan alleen het tot leven roepen van opmerkelijke historische gebeurtenissen: hij heeft een algemenere boodschap. Hij wil vooral laten zien dat het fanatiek najagen van idealen, ongeacht of ze nu politiek of spiritueel zijn, altijd leidt tot het verlies van gezond verstand. Dat is een mooie inzet, waarmee Meek zich ook op glad ijs begeeft. Wanneer je immers deze combinatie zoekt met zo'n gevoelig onderwerp als ideologieën dan moet je zeker zijn van je zaak. Het gevaar van een moreel oordeel ligt snel op de loer, bovendien bestaat de kans dat je personages eerder personificaties worden dan mensen van vlees en bloed.

Het verhaal zelf speelt zich af in het kleine dorpje Jazyk waar een gemeenschap van gelovigen woont. Al dan niet kinderloze vrouwen doen aan borstverminking om zo meer op engelen te lijken, mannen snijden hun geslacht af om niet in zonde te leven. In ditzelfde dorp bevindt zich de troep achtergebleven Tsjechen die onder leiding van de joodse luitenant Mutz de bewoners wil beschermen tegen het Rode Leger. Op een dag komt in dit dorp een man aan, Samarin, die vol wantrouwen wordt bejegend, zoals elke vreemdeling. Tijdens een openbaar tribunaal zet Samarin uiteen wat hem is overkomen en hoe hij als revolutionair is ontsnapt uit een gevangenkamp. Zijn betoog is verontrustend: tijdens zijn vlucht is hij meegenomen door een Mohikaan die hem heeft vetgemest opdat hij een goed maal zou worden. Hoewel hij wist te vluchten, is de Samarin ervan overtuigd dat de Mohikaan hem is gevolgd tot vlakbij het dorp. Elke bewoner zou nu gevaar lopen, iets dat bewezen wordt door een verminkt lichaam dat vlakbij is gevonden. Wat de bevolking niet weet is dat Samarin zelf kannibaal uit overtuiging is.

Ondertussen zijn de Tsjechen slachtoffer van onderling verraad – sommige proberen te vertrekken, Mutz wil echter wachten tot ze een officieel bevel krijgen. De Roden willen het dorp en vooral de Tsjechen uitmoorden voor de goede zaak en de kannibaal meent dat de moord op één persoon niet verwerpelijker is dan honderdduizend mannen als kanonnenvoer naar het front te sturen. Tegenover een dorpsweduwe betoogt hij: `Je kunt medelijden hebben met de onschuldige die hij afslacht, als die onschuldig is. Maar het feit dat het eten de gedaante van een mens heeft is bijkomende schade. Het is geen boze opzet. Wat een actie lijkt van het kwade tegen één mens is een daad uit liefde voor het volk voor zijn eigen toekomst. Zelfs hem een kannibaal noemen is al niet juist. Hij is de storm die het volk heeft opgeroepen en waartegen niet alle eerzame mensen op tijd kunnen schuilen.'

Het antwoord van de weduwe vat misschien wel de hele problematiek van de roman samen: `Mensen zouden geen bloedoffers moeten brengen voor dingen waarvan ze niets kunnen weten, zoals God of het volk'. Dat is natuurlijk waar, maar het gebeurt wél. En waarom dat dan toch het geval is, dat is wat Meek wil onderzoeken. Ook hij vindt het antwoord uiteraard niet, maar door deze extremen als uitgangspunt te nemen geeft hij wel een boeiende visie op `de verwoesting van alles wat het geluk in de weg staat van mensen die [nog] geboren [moeten] worden'. Daarbij onthoudt hij zich van moralistisch gemijmer, en dat versterkt zijn betoog alleen maar.

In veel opzichten is Uit liefde van het volk dan ook geslaagd te noemen, maar op één punt faalt Meek. Zijn personages zijn helaas niet van vlees en bloed geworden en dat is opmerkelijk, want er zijn niet veel romans waarin zoveel bloed wordt vergoten en in zoveel vlees wordt gesneden. Ze zijn ondergeschikt aan de verschillende typen die hij heeft willen neerzetten. Misschien was het bij elkaar brengen van deze vier groepen wat dat betreft toch te veel van het goede.

James Meek: Uit liefde van het volk. Uit het Engels vertaald door Marijke Emeis. De Arbeiderspers, 336 blz. €18,95

Op woensdag 28 september (20.00 uur) vindt in de Amstelkerk, Amsterdam een gesprek plaats tussen Maartje Somers en James Meek. Meer informatie: www.britlit.info