Het lievelingsboek van koningin Beatrix

Hella Haasse gaat op zoek naar de geheimen van een Italiaanse tuin. Deze week discussieert de Leesclub over het detectivegehalte in `De tuinen van Bomarzo'.

,,Als ik met vakantie voor mijn plezier boeken meeneem en daar een van u bij is, lees ik dat altijd het eerst.'' Weinig complimenten zullen Hella S. Haasse zo lief zijn geweest als dit van koningin Beatrix. Het viel haar ten deel op 17 november 2004, tijdens de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren op Paleis Noordeinde. De vorstin had binnen het rijke oeuvre van Haasse ook nog een favoriet. ,,Al vroeg heb ik kennisgemaakt met uw historische romans en ervaren hoe knap u de sfeer van de tijd weet op te roepen,'' sprak ze. ,,Dit heb ik in het bijzonder gevoeld in De tuinen van Bomarzo. Ik ben later met mijn man en zoons in die tuinen geweest. Daar voelde ik dat u onzichtbaar met ons meeliep en op die speciale Hella Haasse-manier ons betrok bij het mysterie van deze unieke schepping. Met dat schitterende boek was u opeens ook – als ware dochter van uw vader – de schrijfster van een detectiveroman.''

Beatrix is niet de enige lezer die zich in lovende bewoordingen over De tuinen van Bomarzo heeft uitgelaten; de recensies in 1968 spraken onder meer van `een bekentenisroman van Europese klasse' en `een verrassende poging om uit de chaos van grillig opgedoken informatie een samenhangend beeld te vormen'. Maar de koningin sloeg met de kwalificatie `detectiveroman' op een originele manier de spijker op de kop. Het boek, dat je zou kunnen beschrijven als een persoonlijk essay of een studie in cultuurgeschiedenis, is vóór alles een whodunit. Geprikkeld door de mysteries die het `parco dei mostri' in het Latijnse plaatsje Bomarzo omgeven, gaat Haasse op zoek naar de man die de stenen monsters in zijn kasteeltuinen heeft neergezet. Ze volgt het spoor terug naar Orsino Orsini, een mismaakte bastaard met één oog, wiens vrouw aan het eind van de vijftiende eeuw door paus Alexander VI wordt verleid, en die een `park van seks en geweld' bouwt `om er zich te bezinnen op zijn haat'. Haat tegen de paus (een Borgia), tegen zijn trouweloze vrouw, en tegen de wereld die hem niet accepteert.

Over wat voor park hebben we het eigenlijk? vraagt de argeloze lezer, die nog nooit vakantie heeft gevierd in de buurt van Viterbo. Het is doodzonde dat van De tuinen van Bomarzo (vijf drukken) nooit een geïllustreerde editie is verschenen. We moeten het doen met de afbeelding op het omslag (de helft van een stenen schildpad) en met de beschrijving die Haasse geeft van enkele van de circa twintig reuzenbeelden die het park tot `een soort van Efteling' maken (pp.21-26): de vechtende Giganten, de Grote Nimf, de Olifant, de Draak, het Hangende Huis en de Orcus (een reuzenhoofd met opengesperde muil). Grappig genoeg kun je het hele boek lezen als een antwoord op de vraag `over wat voor park hebben we het eigenlijk?' Want in haar ijver om de symboliek van het park te duiden, maakt Haasse uitstapjes naar het labyrint op Kreta, `rituelen en zonnediensten uit de dageraad van de geschiedenis', thema's en motieven in de epen van Ariosto en eerdere renaissancedichters, en de dynastieke strubbelingen tussen de Borgia's en de Farneses rond 1500.

Vele schrijvers en kunstenaars gingen Haasse voor in hun obsessie met het `Sacro Bosco' (Heilige Woud) aan de voet van het Orsini-kasteel. Dalí was de belangrijkste, omdat het verslag van zijn bezoek aan Bomarzo in 1948 het begin was van de herontdekking van de overwoekerde tuinen; na hem volgden onder meer de schrijvers André Pieyre de Mandiargues, Mario Praz en Manuel Mujica Lainez en de kunstenaars Carel Willink en Niki de Saint Phalle. Maar Haasse is de enige die geen genoegen neemt met de bestaande theorieën over het park, dat zou zijn aangelegd in het midden van de zestiende eeuw, door ene `Vicino' Orsini ter nagedachtenis aan zijn vrouw Giulia. Want waarom zou deze edelman in zijn brieven zoveel vragen hebben gesteld over de figuren die in zijn park te zien zijn? En waarom voorzag hij de beelden in de tuin van inscripties die suggereren `dat hij, zelf verwonderd en in verwarring gebracht, de raadsels aan anderen voorlegt'? (p.40)

Erg overtuigend kan ik Haasses twijfels niet vinden. Maar het sympathieke is dat ze zich dat realiseert. `Heb ik het verleden geweld aangedaan,' schrijft ze aan het eind van haar essay (p.153); `mensen en feiten vervormd naar mijn eigen beeld, kortom mijn dromen van doolhoven en tuinen geprojecteerd in tijdperken en problemen die mij altijd al geboeid hebben en mij waarschijnlijk bij voortduring bezig zullen houden?' De tuinen van Bomarzo is voor haar de mogelijkheid om een aangrijpend verhaal te vertellen over een `verbitterde en bezeten' edelman, die als een soort Minotaurus zit te simmen in zijn eigengemaakte labyrint – het alternatief voor een roman die Haasse, getuige een opmerking op pagina 11, bijna had geschreven. Wordt de waarde van het boek aangetast door het feit dat niemand (bij mijn weten) haar theorie voor waar heeft aangenomen? Is het boek 37 jaar na verschijning historisch gezien een monstrum, en literair beschouwd een monument van ouderwetse wijdlopigheid? De koningin vindt duidelijk van niet. Maar hoe komt De tuinen van Bomarzo over op de moderne lezer, op iemand die niet `al vroeg' heeft kennisgemaakt met `die speciale Hella Haasse-manier'?

Volgende week in de Leesclub: Janet Luis over de autobiografie in `De tuinen van Bomarzo'. Discussieer mee op de www.nrc.nl/leesclub

    • Pieter Steinz