Geld en de publieke zaak

In een liberale democratie bestaat een belangrijk onderscheid tussen het bedrijfsleven, waar concurrentie heerst, en de overheidssector, een monopolie dat namens de samenleving wordt beheerd. In het bedrijfsleven is geld een belangrijke prikkel tot presteren. Een ondernemer kan meestal alleen succesvol concurreren als hij tevreden klanten heeft. Als hij daar veel geld mee verdient, is daar niets tegen. Maar bij de publieke sector hebben de mensen het meestal niet voor het kiezen. Ze zijn geen klanten, maar burgers. De overheid is hun gezamenlijke bezit. Het beheer van de overheid is niet onderhevig aan de krachten van de vrije markt, maar wordt door volksvertegenwoordigers gecontroleerd. Wie veel geld wil verdienen wordt geen ambtenaar. Wie iets wil bereiken in de samenleving wel. Vooral van topambtenaren wordt verwacht dat zij passie hebben voor de publieke zaak. Het streven naar een hoog inkomen hoort daar niet bij. Het geld dat ze verdienen is niet door een vrij kiezende consument, maar door de belastingbetaler afgestaan.

Vandaar dat de inkomens van voorzitters van hogescholen te hoog zijn. Volgens onderzoek van de FNV-onderwijsbond AOb is het gemiddelde salaris van een voorzitter van een instelling voor hogere beroepsopleidingen ruim 130.000 euro. Bij veel grote, gefuseerde scholen zitten ze er ruim boven. Voorzitter Elbers van Hogeschool InHolland heeft een inkomen van 227.109 euro. Dat is bijna twee keer zoveel als de premier. De vraag is waar hij zijn loonstijging aan te danken heeft na de vele klachten van studenten over het lage aantal lesuren en na de daling van het aantal nieuwe studenten. InHolland is het eindresultaat van een fusie van vier hogescholen. Fusies horen in het publieke belang te zijn. Een hoger inkomen voor het management is een verkeerd gevolg. Fouten in de publieke sector kunnen vaak niet door de markt worden afgestraft. Dat geldt des te meer als studenten hun keuze tussen onderwijsinstellingen zien afnemen.

Mensen uit het bedrijfsleven kunnen goed werk verrichten bij de overheid. Hun inbreng kan verfrissend zijn. Maar zij kunnen niet eisen dat hun inkomen bij de overheid vergelijkbaar is met de salarissen in het bedrijfsleven. Meestal hebben zij al genoeg geld bijeengegaard om zich van een redelijke levensstandaard te verzekeren. Dan kunnen zij een voorbeeld nemen aan hun collega's uit het bedrijfsleven in het kapitalistische Amerika. Die gaan niet uit winstbejag naar de overheid. Zij worden uit dank voor de economische successen die ze hebben kunnen behalen minister of directeur van een publieke instelling, waarbij ze een fractie verdienen van hun eerdere inkomen. Dat zij hun publieke baan als een eer beschouwen en daar niet meteen veel geld voor eisen verbetert de moraal van hun werknemers.

De publieke inkomensgrenzen horen niet te worden vastgesteld door een particulier consultancybedrijf, maar door volksvertegenwoordigers. Het salaris van de premier, de zwaarste overheidsfunctie, is een uitstekende maatstaf.