Exotisme op de poolcirkel

Joyce Roodnat heeft kennelijk iets met het interbellum, want ook haar tweede roman Sterrenschot is erin gesitueerd. Ik weet niet waarom, maar we hoeven in elk geval niet te vrezen voor autobiografisch getob en kunnen ons verheugen op een zelf bedacht verhaal. Roodnat deinst er bovendien niet voor terug opnieuw, net als in haar debuut 't Is zo weer nacht (2001), een man als hoofdpersoon te nemen. Ook dat vergt het nodige van de verbeeldingskracht.

Rotterdamse Jaap, die in Groningen natuurwetenschappen heeft gestudeerd, is een veelbelovende promovendus als de crisis begin jaren dertig roet in het eten gooit. Zijn vader gaat failliet, pleegt zelfs zelfmoord, en zijn moeder vindt dat hij na de promotie maar naar Rotterdam moet terugkeren om er een baantje te nemen bij de Leeszaal (`hij zat immers altijd met zijn neus in de boeken').

Het portret van deze moeder en van Jaaps verloofde Fie valt oud-Hollands benepen uit, op het karikaturale af. Bordewijk voor beginners, en je vreest het ergste voor de rest van de roman. Maar dan doet zich in Jaaps leven een wending voor. W.F. Hermans neemt de plaats van Bordewijk in: Jaap mag mee met een wetenschappelijke expeditie naar Groenland. Daar gaat hij samen met twee collega's het noorderlicht en het aardmagnetisme meten en fotograferen. Een jaar lang te midden van ijs en sneeuw, een paar Denen en een grote groep eskimo's, bij een temperatuur van vele graden onder nul – de omstandigheden zijn zo mogelijk nog desolater dan in Nooit meer slapen.

Het pleit voor Roodnat dat zij haar best heeft gedaan een heel ander boek te schrijven dan Hermans' meesterwerk. Niet de vergeefsheid van het onderzoek staat bij haar voorop, maar de bevrijding van brave Jaap uit zijn benauwende kluisters. Hoe? Via een hartstochtelijke affaire met het eskimo-meisje Keettí, de `qipa' ofwel huishoudster die voor de heren onderzoekers de was doet en het eten kookt. Erg verrassend is dit natuurlijk evenmin. De beklemde westerling die in een exotische ontmoeting de remmen losgooit en zijn gepassioneerde zelf ontdekt, kennen we al van vele romans en films, al komt het minder vaak voor dat dit exotisme in de buurt van de poolcirkel wordt opgezocht.

Van het verhaal moet Sterrenschot het niet hebben, dat is in hoge mate een sjablone; het doorslaggevende verschil zit in de manier waarop het verteld wordt. Joyce Roodnat is namelijk een begenadigd vertelster, ook een sjablone weet zij fris leven in te blazen. Niet door van de personages complexe, intrigerende karakters te maken, want dat zijn ze niet geworden; de meesten blijven tamelijk eendimensionaal, en zelfs de worsteling van Jaap met wetenschap en kunst (de laatste wint uiteindelijk het pleit) of zijn vergeefse poging om de liefde voor Keettí te verzoenen met zijn even conventionele als steile opvattingen zorgt nauwelijks voor opwinding.

Wat de roman bijzonder maakt, dat is simpelweg de montere, kordate stijl, vol pittige metaforen en stemmige beschrijvingen. Dat Jaap in die ijskoude, geïsoleerde nederzetting, waar de alcohol rijkelijk vloeit, een beetje van god losraakt (alhoewel dát nu juist niet, hij blijft de bijbel trouw), geloof je graag wanneer ijsbergen deinen als `baltsende monsters', de zon als een `boterkoekje' aan het zenit staat en Keettí door de sneeuw ploetert als `een worstelende kever in een melkkan'. Soms probeert Roodnat het iets te mooi te maken: bij zorg die als `een eekhoorn' op en neer klautert in iemands `ribbenkast' kan ik mij niets meer voorstellen en ook een lichaam dat aanvoelt als een `paperclip' gaat mij boven de pet. Maar daar staan veel wèl geslaagde beelden tegenover.

`Wie kijkt, die schept', lezen we; volgens de eskimo's neemt iemand die een ijsbeer ziet, diens vacht daardoor al in bezit. Van Jaap kun je zeggen dat hij eerder in bezit wordt genomen, door het noorderlicht dat hem als een `courtisane' verleidt en door de loensende Keettí die het ongrijpbare wonder van dat licht belichaamt. Maar Roodnat heeft gekeken en de stof in bezit genomen. Haar proza is even kleurrijk als de sneeuw, waarover we lezen dat hij zelden wit is, maar alle kleuren van de regenboog kan aannemen. Een voorlopig hoogtepunt lijkt me de constatering, nadat Jaap de pijn om zijn verminkte pink heeft verdoofd door zich uitbundig met Keettí te verenigen: `Geen beter vergeten dan een eikel, rauw van genot'. En dan moet de sappige bevallingsscène nog komen!

Vanzelfsprekend loopt het met Jaap en Keettí niet goed af. De beschaving laat zich wel aanraken door het primitivisme, maar een samengaan, dat zit er niet in. Dit laatste hoort weer helemaal bij de sjablone, waarvan alle elementen zo bekend zijn dat je tegen een verhaal dat ermee vol staat al op voorhand zou willen zeggen: laat maar. Des te groter is de verdienste van Joyce Roodnat dat je achteraf geen moment spijt voelt het toch te hebben gelezen.

Joyce Roodnat: Sterrenschot. Contact, 319 blz. €19,90.

    • Arnold Heumakers