Een vrouw kost dertig koeien

De Britse fotograaf Don McCullin (1935) heeft meer dan dertig jaar oorlog en ellende nagereisd. Hij was in Vietnam, Libanon, Biafra, Cambodja – landen die je alleen van dood en verderf op de televisie kende. Vooral het frontale, `shellshocked' aangezicht van een Amerikaanse marinier in Vietnam kwam wereldwijd op de voorpagina's van kranten terecht. Hij werd een top-fotojournalist, maar dat neemt niet weg dat incasseren ook zo zijn grenzen heeft. McCullin kreeg genoeg van de misère. Overdag en 's nachts spookte de ene na de andere herinnering als rampenscenario door zijn hoofd en dan had hij ook nog last van schuldgevoelens over al die doden die hij geportretteerd had. Hij dook onder in Somerset om verten van pais en vree te fotograferen. Vooral de dreigende luchten vielen hem op, alsof de oorlogsverslaggeving via het wolkendek werd voortgezet.

En nu heeft hij weer een nieuw, monumentaal fotoboek, met bijna honderd forse opnamen. Hij liet Engeland in 2003 weer achter zich en reisde naar de Gheleb, Bume, Erbore, Bene, Bodi, Karo, Hamar en Mursi – nomadische volkeren die in de vallei van de rivier de Omo, ten zuiden van Addis Abeba, tegen de grens met Soedan, van de veeteelt leven. Ze drinken het bloed van hun beesten, eten hun vlees en bedrijven er ruilhandel mee. Een vrouw kost er dertig koeien. Omdat alleen oudere mannen die prijs kunnen betalen, moeten de jongens van het Surma-volk hun energie kwijt in stokgevechten, met desnoods dodelijke afloop.

McCullin, die eerder reportages over aids in Afrika maakte, fotografeerde zo'n vechtend koppel te midden van hun met stokken gewapende stamgenoten. En dat zijn dan meteen de enige dynamische opnamen in Don McCullin in Africa. Bijna alle andere foto's laten statische groeps- en familieportretten zien, in zwart-wit, dat door grijze, steenkoolachtige tussentonen als kleur op je netvlies werkt. De bewoners van de Omo-vallei beschilderen hun lijf en gezicht met witte vegen of patronen die hun naakte, glanzende, zwarte huid nog glanzender en zwarter doen lijken. De vrouwen van het Surma-volk verminken hun onderlip met schijven zo groot als cd's. En de mannen scheppen graag op met geweren – hoe forser hoe beter.

Addis Abeba ligt hier zo'n acht uur vliegen vandaan, maar bij menig portret vraag je je af of deze bevolking er in de steentijd anders uitzag. Behalve die wapens, een enkele jerrycan en wat textiel is er niets te traceren dat er op duidt dat de mens er sinds dat tijdperk in materiële zin op vooruit is gegaan. Het is alom droogte, kaalslag, schaarste en naaktheid. En McCullin geeft niet de illusie dat men met die `paradijselijke' primitiviteit tevreden is. Integendeel, er gaat van al die groepsportretten iets verontrustends uit. Dat ligt vermoedelijk aan de koele, journalistieke en donkergetinte blik van de fotograaf én van al die vreemdelingen die pal voor de lens zelden de reflex van de lach laten zien die vaak bij zo'n opname hoort. Ze vertonen niet de berijvigheid die je als westerling associeert met vermaak, verandering of vooruitgang. En de spierkracht en potentie van de Nuba, die cineaste Leni Riefenstahl extreem belichtte, komt ook nergens tot uitdrukking. Overleven is hier al zwaar genoeg.

McCullin is bang geweest in dit gebied, schrijft hij in zijn voorwoord `Troubled Eden'. Een kleine aanleiding is goed voor moord en doodslag. Door de oorlog in het nabije, zuidelijk Soedan waren de nomaden zelf ook op hun hoede. Vermoedelijk is het die in angst verbonden verstrengeling die deze portretten zo uitzonderlijk maakt, afgezien van de fotografische kwaliteit en van de schilderachtige en dan weer sinistere vreemdheid die deze tijdgenoten te zien geven. Het enige dat je McCullin kan verwijten is zijn veel te korte inleiding over samenlevingen waarover hij – zo te zien – als ingewijde veel meer had kunnen vertellen. En anders had hij Ryszard Kapuscinski maar om een bijdrage moeten vragen, want sommige scènes uit diens Afrika-epos Ebbenhout staan niet zo ver van dit boek af.

Don McCullin in Africa.

Jonathan Cape, 175 blz. €50,–