De warmte van een genie

Elk mens staat voor de keuze tussen `hypocriete nederigheid' en `eerlijke arrogantie', vond Frank Lloyd Wright (1867-1959). Zelf koos hij voor het laatste, al is arrogantie een te zwak begrip voor de houding die Amerika's beroemdste architect zich zijn lange leven aanmat. Hij vond zichzelf niet alleen de grootste architect aller tijden, maar ook de enige, echte vader van de moderne architectuur. Zonder schroom beschouwde hij zichzelf als een genie, dat zich niet hoefde bezig te houden met aardse zaken als lekkende daken en onbetaalde rekeningen.

Wrights zelfverklaarde genialiteit is een terugkerend onderwerp in de biografie, kortweg Frank Lloyd Wright, van Ada Louise Huxtable, de nestor van de Amerikaanse architectuurkritiek. Huxtable, die eerst twintig jaar voor de New York Times schreef, en sinds 1982 voor de Wall Street Journal, schrijft het nergens expliciet, maar uit haar waardering voor het werk van Frank Lloyd Wright blijkt dat ze hem inderdaad geniaal vindt. Zelfs zijn late werk uit de jaren vijftig, toen Wright de tachtig al was gepasseerd, vindt ze visionair. Meestal worden zijn gebouwen uit deze periode, zoals het Marin Civic Center in San Rafael, Californië, beschouwd als sciencefiction-kitsch, maar Huxtable ziet er een voorloper van de huidige computerbarok in. Over Wrights vroege werk, de beroemde prairiehuizen, deelt ze de mening van bijna alle historici: dit is architectuur die de weg baande voor de moderne 20ste-eeuwse bouwkunst.

Het moet niet zo moeilijk zijn om een boeiende biografie te schrijven over Frank Lloyd Wright. Zelfs in gortdroge woorden is zijn leven een aaneenschakeling van ruzies, problematische huwelijken en relaties, bedrog, overspel, afgebrande huizen, ongebreidelde kooplust, arrestaties wegens vrouwensmokkel en zelfs moorden. Maar Huxtable vertelt het nog eens, en wel op een prachtige manier. Ze behandelt Wrights leven chronologisch, maar de saaiheid die bij deze voor de handliggende benadering op de loer licht, weet ze te voorkomen door bijvoorbeeld voorvallen uit Wrights jeugd te verbinden met latere gebeurtenissen en ontwikkelingen. Zo ontstaat een caleidoscopisch beeld van Wrights leven en werk.

Onthullingen over hem doet Huxtable niet. Ze geeft herhaaldelijk verschillende versies van hetzelfde verhaal, en daarvan is er één meestal afkomstig uit Wrights autobiografie. Welke waar is, laat ze meestal in het midden: ze is er niet op uit om Wright als fantast te ontmaskeren. Wél maakt ze duidelijk dat hij een onmogelijke egotist was. Maar dat vergeeft ze hem graag in ruil voor zijn geniale gebouwen die, zo zegt ze, uiteindelijk toch diep menselijk zijn. De huizen en gebouwen waarvan er maar enkele staan afgebeeld in de biografie bewijzen het. Wright mocht zichzelf dan als het centrum van de wereld beschouwen en de neiging hebben alles, tot deurklinken toe, te ontwerpen, zijn huizen zijn intiem en warm. ,,Wat er het hart van blijft, is de menselijkheid, de zoektocht naar verbanden met onze wereld en onze levens'', zo luidt de laatste zin van Huxtables biografie.

Ada Louise Huxtable: Frank Lloyd Wright.Viking Penguin, 251 blz. €21,–