De joden van Thessaloniki

Thessaloniki, in Griekenland `Macedonische hoofdstad' genoemd als tegenwicht van Skopje, was begin vorige eeuw nog voor de helft joods. Veel Grieken worden daar niet graag aan herinnerd: de niet-joodse schrijver George Vafópoulos kwam in moeilijkheden toen hij in 1962 het oude Thessaloniki een `jodenstad' noemde. Dit incident en veel meer is te lezen in De joden van Thessaloniki in de Griekse literatuur, samengesteld door Hero Hokwerda. Het eerste deel wordt ingenomen door een novelle van Nikos Kokantzís, Gioconda, over een idylle tussen een jonge Griek en een joods meisje vlak voor de deportatie van bijna 48.000 joodse burgers door de Duitse bezetters.

Griekstalige joden woonden in deze stad sinds de hellenistische tijd. Paulus preekte in hun synagoge, voordat hij door andersdenkende joden werd verdreven. In de byzantijnse periode reisden er vanuit het mediterrane gebied joden naartoe, maar de grote toevloed kwam op gang na 1492 toen het een Ottomaanse stad was geworden. De sultans zagen de tienduizenden vluchtelingen uit Spanje, verdreven door koning Ferdinand en koningin Isabella, graag komen. Deze joden bleven Spaans spreken, een dialect dat Judezmo of Latino werd genoemd.

Hokwerda beschrijft hoe deze, grotendeels arme bevolking kon blijven profiteren van de ottomaanse tolerantie, al werd in de 17de eeuw korte tijd bekeringspressie uitgeoefend. In de 19de eeuw kwam het tot hervormingen voor alle minderheden, de zogenaamde Tanzimat, en aan de daaropvolgende economische opleving droegen de joden sterk bij. Ze drukten een eigen stempel op de stad die ze het `Tweede Zion' of `de moeder van Israël' noemden. Op zaterdagen bleef de haven gesloten. Er waren geen getto's – de joden met hun negentien synagogen waren overal in de stad te vinden.

Toen Thessaloniki in 1912 door de Griekse legers werd veroverd was dit voor de joden een moeilijke overgang. Een zware klap vormde ook de grote brand die in 1917 het stadscentrum verwoestte, en daarna de komst van tienduizenden Grieken die vanwege de militaire `catastrofe' in 1912 uit Turkije weg moesten. Deze zelfde `bevolkingsuitwisseling' hield het vertrek in van alle Turken, Bulgaren en tot de islam bekeerde joden (de dönme's). De stad `vergriekste', maar de joden pasten zich aan de nieuwe situatie aan. Desondanks stak bij veel Grieken een manifest antisemitisme op, dat met concurrentie te maken had en met een zekere nostalgie die joden koesterden naar de Ottomaanse tijd. In de jaren dertig kwam het zelfs tot pogroms. Onder de fascistoïde dictatuur-Metaxás (1936-41) werd het wat rustiger.

Dat zoveel joden werden weggevoerd was onder meer het gevolg van hun nog altijd geïsoleerde positie. Weinigen redden zich door de stad te verlaten. Onder hun omstreden rabbijn Koretz groeide een met de Duitse bezetter samenwerkende organisatie, een soort Joodsche Raad. Het gerucht werd verspreid dat de joden in het Poolse Krakau in arbeidskampen terecht kwamen. En joodse families bleven het liefst bij elkaar. Een roerend relaas in het boek gaat over een Griekse priestersweduwe die haar nieuwe, joodse echtgenoot vrijwillig vergezelde op zijn tocht naar de vernietiging.

Uit dit boek komt pijnlijk naar voren dat veel Grieken onverschillig stonden tegenover de vernederingen en deportaties van de joden. Beschamend was de wijdvertakte plundering van hun huizen en de ontruiming van de oeroude joodse begraafplaats. Zelfs in Duitsland bleven joodse begraafplaatsen gespaard. De circa drieduizend joden die na 1945 terugkeerden werden niet bepaald verwelkomd. Geconfronteerd met beschuldigingen van linkse sympathieën vertrokken velen uit het razend snel veranderd Thessaloniki naar Israël. Een monument verrees pas in 1997, toen de stad `Culturele hoofdstad van Europa' werd.

Gioconda. De joden van Thessaloniki in de Griekse literatuur. Samenstelling, vertaling en nawoord door Hero Hokwerda. Stichting Ta Grámmata, 452 blz. €25,–

    • F.G. van Hasselt