Bordewijk (2)

De Amsterdamse buurt de Pijp duikt nogal eens in het proza van F. Bordewijk op, wat niet zo verwonderlijk is, want hij werd er op 13 oktober 1884 geboren, in een bovenhuis aan de Jan Steenstraat 255 (nu Tweede Jan Steenstraat 107).

Kennelijk heeft geen enkele latere bewoner het nodig gevonden dit heuglijke feit op een gedenksteen in de gevel te vermelden. In Nederland gaan we grillig met de nagedachtenis van onze beste schrijvers om. Er is alleen een gedenksteen aangebracht voor ene Cornelia Schoonenberg, een zuigeling die in 1881 een van de eerste bewoners van het huis moet zijn geweest. Bordewijk verwijst er zelf naar, in een brief uit 1962, zonder enig commentaar. Hij was geen man die aan gedenkstenen voor zichzelf hechtte.

Erg lovend heeft Bordewijk zich nooit over de Pijp uitgelaten, ook al ging hij er later af en toe aandachtig kijken. Aan zijn oude vriendin Betsy Betram-Haus schrijft hij in 1962: ,,Die hele oude Pijp tussen Stadhouderskade en Ceintuurbaan biedt niet veel fraais behalve het wel grappige Sarphatipark, maar is toch wel zeer gevarieerd en boeiend voor wie er niet hoeft te wonen.''

In de roman Eiken van Dodona uit 1946 rept hij van ,,oneindig lange smalle dwarsstraten (...) waar de bevolking als samengeperst hooi in elkaar zit''.

Met een mengeling van fascinatie en afkeer liep Bordewijk in dergelijke buurten rond. ,,Het somberst en vaalst was de Govert Flinck, waar de hijsbalken der dakramen zo dicht opeen stonden dat het meisje zich verbeelden kon te lopen tussen de onderstellen van twee gigantische klavieren, opziend naar her en der uitgebroken toetsenrijen.''

Hoe zou Bordewijk nu naar deze buurt, waar hij de eerste anderhalf jaar van zijn leven doorbracht, kijken? De meeste huizen staan er nog, maar de samenstelling van de bevolking is vooral door de komst van allochtonen en studenten aanzienlijk veranderd. Van Bordewijk zijn, voorzover ik weet, geen racistische uitlatingen bekend, al was hij niet wars van vooroordelen tegen homo's en joden, zoals zijn biograaf Reinold Vugs heeft aangetoond. Zijn houding in de oorlog was onberispelijk, hij nam onderduikers in zijn huis op, maar hij schrok ook niet terug voor een omschrijving als `een afschuwelijk jodenbakkes'.

Het huis van de Bordewijks staat aan het einde van de Tweede Jan Steenstraat, op de hoek loopt de Amsteldijk door Oud-Zuid met uitzicht op het Amstel Hotel. Ik liep argeloos over de Amsteldijk toen, op nog geen minuut van Bordewijks geboortehuis, mijn blik op de gevelsteen viel van nummer 9, een mooi, oud herenhuis. Volgens die steen – daar wél – woonde hier de dichter Herman Gorter van 1882 tot 1887. (Zijn moeder dreef er een pension, las ik later in de Gorter-biografie van Herman de Liagre Böhl.)

Gorter was een 20-jarige student klassieke talen toen Bordewijk om de hoek in zijn wiegje lag. Als moeder Johanna met de kleine Fer een wandelingetje maakte, kwam ze langs het huis van de Gorters, waar Herman met zíjn `aardig moedertje' op de canapé zat en, zoals hij zelf schreef, ,,Grieksche verzen loei, om de maat goed te hooren''.

Goede moeders, briljante zonen – een ideale combinatie.