Bondscoach koestert outsidersrol

Bondscoach Egon van Kessel, opvolger van de vorig jaar overleden Gerrie Knetemann, is optimistisch over de Nederlandse kansen bij het WK voor de wielerprofs op zondag.

Een paar maanden geleden hees hij nog de stormbal. Als de Nederlandse wielrenners zo slecht bleven presteren, zou voor de oranje equipe een plaatsje op het tweede plan resteren. ,,Het voorseizoen was uitgesproken matig'', zegt bondscoach Egon van Kessel (49) aan de vooravond van het wereldkampioenschap. ,,We hadden deze zomer met de etappezege in de Tour van Pieter Weening nog maar een punt in het ProTour-klassement. De buitenlandse renners in Nederlandse dienst deden het goed, de Nederlandse renners niet.''

Dus dreigde Nederland uit de top-10 te vallen, waardoor de nationale profploeg bij het WK uit slechts zes rijders zou mogen bestaan, in plaats van negen. ,,Na de Tour trad flinke verbetering op, bijvoorbeeld bij de etappekoersen in Spanje, de Benelux en Polen, waardoor we van een negende naar een vijfde plaats zijn gestegen.''

Dus staat Nederland zondag met negen renners aan de start. ,,Met een groot deel van de ploeg hebben we vorige maand al een keer getraind. Na afloop hebben we de hele avond over wielrennen gesproken, over de tactiek voor het WK slechts een kwartier'', aldus Van Kessel.

De tactiek is simpel. Omdat een sprinter van het kaliber Petacchi of Boonen in de Nederlandse ploeg ontbreekt, moeten één of twee renners zien te ontsnappen. ,,We hebben met Van Heeswijk en Van Bon snelle mannen, maar zij zijn bij een sprint geen zekere factor. Renners van veel meer landen trachten te ontsnappen en het is aan de ploegen met de goede sprinters de taak de boel bij elkaar te houden.''

Van Kessel was al bondscoach van de beloftes en de junioren. Dit jaar heeft hij na het overlijden van Gerrie Knetemann ook de verantwoordelijkheid voor de profs overgenomen. Met een aantal routiniers werkte hij al samen toen hij eind jaren tachtig bondscoach van de jongeren was. Na een vertrek van vier jaar uit de wielersport keerde hij in 1999 terug als assistent van Priem bij de ploeg Farm Frites, maar nog voor het seizoen begon werd hij opzijgeschoven. ,,Toen is een goed functionerende ploeg naar de kloten geholpen'', zegt hij daar nu over.

Van Kessel is optimistisch ook al heeft een Nederlandse renner in de afgelopen vijftien jaar slechts tweemaal een medaille behaald. Eenmaal was Rooks (1991) goed voor zilver, Van Bon voor brons (1997). ,,Je moet geluk hebben, maar het is lang geleden dat we met een ploeg aan de start komen die zo sterk is en zo goed in vorm. Er is toch een mindere lichting geweest: daarom zie je ook zo'n groot gat tussen de renners van 32 jaar en ouder [zoals Van Heeswijk, Van Bon, Boogerd en Erik Dekker] en de jongeren die nog geen 25 jaar zijn [Thomas Dekker, Weening en Posthuma]. Die zijn net te jong om het af te dwingen.''

Uitgesproken favorieten binnen zijn ploeg ziet hij niet. Dat hangt ook af van de vraag hoe hard de strijd wordt gemaakt op het 273 kilometer lange circuit bij Madrid. In dertien rondes moeten twee bescheiden hellingen worden genomen. ,,De Nederlandse renners zijn outsider bij dit WK en dat is ook onze kracht. Iedereen bij ons kan goed wegspringen en dan hebben wij ook nog eens Van Bon en Van Heeswijk die in een sprint iets kunnen neerzetten. Het zal me niet verbazen dat als er uiteindelijk dertig renners overblijven, daar vijf Nederlanders tussen zitten. Maar ook reëel is dat die vijf op plaats vijf tot 25 eindigen.''

Als de renners zondag starten zit het meeste werk er voor Van Kessel op. ,,Bij de junioren ben ik voor alles verantwoordelijk. Bij de profs is dat veel minder. Ik selecteer en zo nodig geef ik hun tijdens de wedstrijden adviezen, maar meestal zijn zij mans genoeg zelf hun beslissingen te nemen.''