Angst regeert doorgaans koele Texanen

Texanen sloegen gisteren massaal op de vlucht voor de orkaan Rita. Langs de snelwegen van de olierijke staat was benzine schaars.

Welkom in Houston, staat op de borden van het vliegveld. Maar welkom is niet het juiste woord. Weg is het woord. Iedereen wil weg. Het is donderdagmiddag, de weerman vertelt op televisie dat de orkaan Rita boven de Golf van Mexico iets aan kracht inboet, maar voor relativering is in de hoofden van de Texanen nu even geen ruimte. Er is een run op de laatste vliegtickets. Rita zal vernietigend zijn, ze weten het hier zeker. En de autoriteiten ook. ,,Het is een hele lelijke storm'', zegt burgemeester Bill White van Houston om het uur op de lokale radio. De zender zelf gaat korter door de bocht: Rita is een monster.

Hoe sterk de doorgaans koele Texanen na de orkanen Katrina (drie weken geleden) en Ophelia (vorige week) worden geregeerd door angst, blijkt als je vanaf het vliegveld noordwaarts rijdt, richting Dallas. Files van tientallen kilometers, zo ver het oog reikt. Mensen die in haast hun hele hebben en houden achterin de pick-up truck hebben gemieterd, ook de foto van oma. Mensen die met gespannen gezicht informeren of er nog iemand benzine heeft. Mensen die de laatste vijf uur dertig kilometer zijn opgeschoten maar van geen ophouden willen weten. Mensen die met dampende lichamen achter het stuur zitten – ondanks de verzengende hitte schakelen velen hun airconditioning uit, dat spaart benzine. Het T-shirt van Berny Jones (27), kilootje of 200, is drijfnat, maar dat neemt hij op de koop toe, zegt hij – anders haalt 'ie Austin niet.

Winkels en restaurants langs de weg ogen leeggeroofd. Water is nergens te krijgen. Verse etenswaren, koekjes en fruit zijn uitverkocht. Bij pompen staan lange rijen. Of niet; dan zijn ze gesloten. Ook de grote warenhuizen staken vanaf twee uur 's middags de verkoop. Nee nee, zegt de bedrijfsleider van Wal Mart aan Highway 59 tegen een jonge vrouw die rond drie uur een zaklamp en kaarsen wil kopen. Er komt niemand meer in. Hij wil óók weg.

Wie keert, en in zuidelijke richting koers zet naar de binnenstad van Houston, komt in een ontzielde metropool terecht. Dezelfde miljoenenstad die drie weken geleden in een paar dagen honderdduizenden vluchtelingen uit New Orleans opnam, een stad waarvan het straatbeeld normaal wordt bepaald door de limousines van oliebaronnen – in die stad rijden nu bijna alleen nog politieauto's en stadsbussen. De mensen uit New Orleans waren de eersten die weggingen toen Rita woensdag onafwendbaar bleek te zijn, schrijft de Houston Chronicle; de kantoren van de oliebedrijven zijn vanaf vandaag dicht. Op straat zie je alleen nog de allerarmsten, die op de bus wachten. En zwervers, die smeken om bier dat niet meer te koop is. Sommige hotels zijn nog open. Ze hebben de prijs van de kamers verdubbeld, een flesje water kost vijf dollar.

[Vervolg RITA: pagina 4]

RITA

Brandstof genoeg in het verlaten Texas City

[vervolg van pagina 1]

Jeanne Balieux (57) zit op de stoep bij een motel op San Jacinto Avenue een sigaretje te roken. Ja, ze komt uit New Orleans. Ze was geëvacueerd naar Galveston, het eiland in het zuidelijke puntje van Texas. Daar moest ze gisteren weg, ze zou naar de staat Arkansas gaan, maar toen ze even wegbleef tijdens een stop, is de bus zonder haar vertrokken. Wat nu? Ze kan het wel aan, denkt ze. Ze is niet zo paniekerig als die Texanen. En erger dan Katrina kan het niet worden, denkt ze.

Enkele tientallen kilometers ten zuiden van Houston, richting de kust, waar palmbomen de uitgestorven achtbaanswegen omgeven, doemt Texas City op. Een kuststadje dat zwaar leunt op de chemische industrie en de olieraffinage. In eerste instantie lijkt dit stadje eveneens geheel ontvolkt, al is de politie ook hier volop present.

Als de avond valt, slenteren ex-soldaat Mark Gordy en zijn zoon Mark jr. (18) langs de hoofdweg van het stadje. Senior draagt een zonnebril uit de tijd van Easy Rider, junior heeft een vaal wit gelaat en een vlassig sikje. Ze hoorden vanochtend dat iedereen die vertrok in de file belandde. Daarom gingen ze nog maar even niet weg. Nu kunnen ze geen lift meer vinden. Zelf hebben ze geen auto, Gordy zit krap bij kas. Zojuist heeft hij al zijn familie en vrienden afgebeld – ze zijn allemaal weg. Hij vroeg de politie om een lift, maar die reed gewoon door. ,,Ik denk dat ik morgen maar naar de Interstate loop en daar op de weg ga liggen'', zegt hij. ,,Dan moeten ze wel.''

Een paar kilometer verder komen de dijken in zicht. ,,Welcome to the Texas City Dike'', staat op een bord. In de rug ligt een verlaten speeltuintje, Rainbow Park. Nu de zon ondergaat oogt de oceaan vredig. Gary Chambers (47) en zijn vrouw Christina zijn er juist naar komen kijken. Het ziet er goed uit, zegt Chambers – verweerde kop, kapotte spijkerboek – die in de fabriek van Dow Chemical werkt. Hij kent de grillen van de zee, zegt hij, omdat hij haar jaren heeft bevaren met zijn vader, die visser was. Hij vloekt na elke drie woorden. Dit heeft hij altijd het mooiste gevonden, zegt hij, de stilte voor de storm. ,,Fuck. Zo fuckin' prachtig.''

Hij heeft zich de laatste dagen vermaakt om al die kouwe drukte: Rita zal zwaar meevallen, voorspelt hij. Dat is zíjn gevoel. Zijn vrouw wilde per se dat hun vijf kinderen zouden vertrekken, daar heeft hij mee ingestemd, maar nodig was het niet. De mensen zijn zo dom, zegt hij. Ze vluchten allemaal naar het noorden. Maar daar komt Rita ook. Je kan beter afwachten en afhankelijk van de laatste prognose naar het oosten of het westen rijden. Dan heb je lege wegen en alle tijd om van Rita weg te rijden. Zo zal hij het morgen doen, als hij het doet. Want hij heeft veel waardevolle spullen in huis, zegt hij, en die worden natuurlijk geplunderd als hij er zaterdag niet is.

Het is donker nu, en hij heeft het zojuist ook op de radio gehoord: op deze donderdagavond zitten nog altijd tienduizenden automobilisten vast in het verkeer door overbevolkte wegen en gebrek aan benzine. Het laatste verbaast hem het meest. Allemaal nodeloze paniek, zegt hij. Iedereen praat elkaar na, maar de werkelijkheid is anders: dit is Texas, zegt hij, hier is altijd benzine. Hij heeft zelf een uurtje geleden nog getankt.

Waar dan? Chambers wijst de weg naar de pomp – aan Texas Avenue natuurlijk, in downtown Texas City.

    • Tom-Jan Meeus