Ambtenaar op zee

Als verachte landverraders werden de broers Johan en Cornelis de Witt in 1672 gelyncht. Een expositie in het Dordrechts Museum vertelt over hun leven.

Kersen en aardbeien, papier en inkt. Het waren de aankopen van een jonge regent uit Dordrecht, blijkens diens zakboek, op een zomerdag in 1649. Op diezelfde dag bezocht hij de barbier, aan wie hij twee gulden en acht stuivers kwijt was, en stopte hij precies het dubbele van dat bedrag in een collectebus voor de armen. Dit moet een consciëntieus man zijn geweest, die zijn uitgaven nauwkeurig bijhield, verzorgd voor de dag wilde komen, maar ook de minder fortuinlijke medemens niet vergat.

Het kasboekje behoorde toe aan de toen 23-jarige Johan de Witt. Uit de informatie die het verschaft, vormt zich als vanzelf het beeld van een verantwoordelijke maar betrekkelijk zorgeloze jongeman van goede familie, aan het begin van een mooie carrière, voor wie er nauwelijks een vuiltje aan de lucht is. Het staat in schril contrast met de beestachtige manier waarop Johan de Witt, drieëntwintig jaar later, samen met zijn broer Cornelis aan zijn eind zou komen. Als verachte landverraders zouden de twee door een ziedende menigte worden mishandeld, vermoord en letterlijk aan stukken gereten.

Familietraditie

Het leven van Johan de Witt (1625-1672) en zijn twee jaar oudere broer Cornelis heeft zich, tegen de achtergrond van een groot gedeelte van de Gouden Eeuw, bewogen tussen de uitersten van succes en verguizing, macht en minachting. Ze waren geboren in een aanzienlijke Dordtse familie van kooplieden die al sinds mensenheugenis burgemeesters en magistraten had geleverd. Hun vader Jacob, een machtig man in Dordrecht en Den Haag, wilde die familietraditie voortzetten en stuurde zijn twee zonen naar Leiden voor de rechtenstudie, en op een grand tour naar Frankrijk en Engeland om het fundament te leggen voor een politieke en bestuurlijke loopbaan.

Johan werd eind 1650 benoemd tot pensionaris van Dordrecht en tweeëneenhalf jaar daarna tot raadspensionaris – eerste ambtenaar en raadsman van de Provinciale Staten in Den Haag. Hij zou deze functie bijna twintig jaar uitoefenen. In die periode groeide Johan de Witt uit tot de machtigste man in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. De omstandigheden waren er naar. In november 1650 was Willem II van Oranje, stadhouder van Holland, op 24-jarige leeftijd en zonder mannelijke erfgenaam overleden. Acht dagen na het overlijden van zijn vader kwam prins Willem III ter wereld, maar die zou nog achttien jaar op zijn meerderjarigheid moeten wachten alvorens aanspraak te kunnen maken op het stadhouderschap, dat in de loop der tijd een bijna erfelijke Oranje-aangelegenheid was geworden. Raadspensionaris De Witt gaf leiding aan de belangrijke Statenvergadering, fungeerde als minister van Buitenlandse Zaken en had door zijn lidmaatschap van allerlei raden en commissies een informatievoorsprong op iedereen. Zonder stadhouder boven zich kon de intelligente Johan zijn macht en invloed gestaag opbouwen.

Cornelis de Witt, wiens carrière minder stormachtig verliep dan die van zijn jongere broer, begon als lid van het Rotterdamse admiraliteitscollege. Later zou hij het schoppen tot `ruwaard van Putten' – een soort officier van justitie voor het gebied Oostvoorne-Putten in Zuid-Holland – en baljuw van Beijerland. In Dordrecht zou hij verschillende functies van zijn vader overnemen, waaronder uiteindelijk die van burgemeester. Maar Cornelis maakte vooral naam als zeeheld. Tijdens de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog werd hij door zijn broer naar voren geschoven als maritiem bevelhebber. Zijn grootste wapenfeit was een riskante expeditie in 1667 naar de Engelse marinebasis Chatham, waarbij hij samen met admiraal Michiel de Ruyter de Hollandse vloot aanvoerde in een vernietigende aanval op de Engelsen.

De band tussen de twee broers was hecht. Eensgezind streefden ze het ideaal na van de `Ware Vrijheid': een systeem van roulerend, gedeeld regentengezag dat geen rekening hoefde te houden met aristocraten die meenden een aangeboren recht op de macht te kunnen doen gelden. In vredesonderhandelingen met Engeland drukte Johan de Witt in 1654 bij de Staten zelfs een door Cromwell geëiste anti-Oranjeclausule door. Deze `Acte van seclusie' hield in dat nooit meer een Oranje tot stadhouder benoemd zou mogen worden.

Oranjes

In zijn juist verschenen dubbelmonografie van de gebroeders De Witt benadrukt historicus Luc Panhuysen dit aspect van de samenwerking tussen Johan en Cornelis. Als ruwaard van Putten fungeerde laatstgenoemde `in de vennootschap van de Ware Vrijheid als een filiaalhouder, een vitale nevenvestiging die talloze recommandaties verwerkte en protégés registreerde'. Wie niet direct toegang had tot de raadspensionaris, deed er goed aan zich door diens broer te laten introduceren.

In Panhuysens helder geschreven en informatieve boek speelt een officieuze, derde protagonist op de achtergrond voortdurend een rol: prins Willem III. Steeds weer blijkt de jonge Oranjetelg een factor van betekenis in de politiek van `de Witten'. De prins kon rekenen op een grote schare aanhangers, die de machtsaanspraken van de Oranjes bleven ondersteunen en ook hijzelf was nadrukkelijk aanwezig in de gedachten en zelfs het dagelijks leven van de regenten die zijn tegenstanders waren. Na de dood van Willem II hadden de Staten zich garant gesteld voor de opvoeding van de prins en het was Johan de Witt zelf die één dag in de week het onderricht ter hand nam. Opvallend en misschien tekenend voor De Witts stoïcijnse houding is dat hij kennelijk toch zoveel waardering voor de prins wist op te brengen dat ze af en toe op de kaatsbaan te vinden waren, voor een ontspannen partijtje tennis.

Oranje en de Witten waren elkaars tegenstrevers en tegelijkertijd waren ze tot elkaar veroordeeld; ze waren tegenpolen maar verschilden in sommige opzichten ook weer niet zo veel van elkaar. In de beeldende kunst treedt die gecompliceerde relatie nog duidelijker en aansprekender aan de dag dan in geschreven bronnen. Een expositie in het Dordrechts Museum ter gelegenheid van het verschijnen van Panhuysens boek, met de auteur als gastconservator, laat iets zien van het zelfbeeld van de gebroeders De Witt en de wijze waarop er in de zeventiende eeuw en daarna over hen werd gedacht.

Illustratief zijn diverse zeventiende-eeuwse portretten die hun tomeloze ambitie en opzienbarende wapenfeiten vastleggen. Een prachtig schilderij van Adriaen Henneman uit 1652 toont Johan als de jonge dignitaris die we ons kunnen voorstellen bij het kasboekje van een paar jaar eerder. Hij is ten halven lijve weergegeven; zijn lange gezicht, voorzien van geprononceerde neus, snor en sikje, is getooid met zwierige lokken tot op de schouders. Johan is gekleed in stemmig zwart, leunt op de sokkel van een afgebroken zuil en kijkt ons zelfverzekerd, licht geamuseerd aan.

Dit voor die tijd modieuze, in de stijl van de befaamde Antwerpse meester Anthonie van Dyck uitgevoerde portret werd alras ingewisseld voor een beeltenis die meer aansloot bij de waardigheid van een topambtenaar. De Dordtse schilder Jan de Baen schilderde in de loop van de jaren zestig een reeks van vier kniestukken met portretten van respectievelijk de broers, hun vader en hun moeder. In de kortelings gerestaureerde serie poseert Johan nog steeds elegant, maar nu veel ernstiger met zijn linkerhand op de borst, tegen de achtergrond van de vergaderzaal van de Staten van Holland. Cornelis verschijnt als zeeheld met achter hem een draperie en een episode van de slag bij Chatham. Hij draagt een commandostaf en een kleurig militair tenue.

Dergelijke protserige kleding had Johan de Witt zich ook door zijn vrouw laten aanpraten toen hij in 1665 als zelfbenoemd bevelhebber meevoer met een expeditie naar Noorwegen. De studieuze ambtenaar werd er door zeelui als Cornelis Tromp zo om uitgelachen dat hij de volgende dag weer gewoon in het zwart aan dek verscheen. Tegenstanders tot in Den Haag zagen in het vertoon van goud en zilver een bevestiging van veronderstelde prinselijke ambities van de raadspensionaris. De Witten zullen er niet van hebben willen weten, maar zowel in hun streven naar concentratie van de feitelijke macht, als in hun kunstpatronage en zelfverheerlijking konden ze Oranje naar de kroon steken. Zo maakte de Dordtse schilder Cornelis Bisschop een magnifieke Allegorie op de tocht naar Chatham met een portret van Cornelis de Witt (1668) en schilderde Jan de Baen een Verheerlijking van Johan de Witt – een schilderij dat provocerend in het stadhuis van Dordrecht hing tot het in de anti-De Wittstemming van 1672 werd vernield. De expositie toont een grote gravure die Romeyn de Hooghe naar het schilderij maakte. Maar het indrukwekkendst is het marmeren portret van Johan dat de beeldhouwer Artus Quellinus in 1665 maakte. Johan verschijnt in het levensgrote busteportret volgens de conventies van een ernstig heerser, zijn arm in een mantel geslagen in een pose die verwijst naar die van klassieke redenaars. Sculpturen als deze waren in de zeventiende-eeuwse Republiek zeldzaam en voorbehouden aan kringen van het stadhouderlijk hof.

Rouwkleding

Intussen zat men in het Oranjekamp ook niet stil. Een mooi, omvangrijk schilderij uit 1653 van Gerard van Honthorst toont prins Willem op tweejarige leeftijd op de arm van zijn in rouwkleding gestoken moeder, de Engelse prinses Mary Stuart. Een zo groot schilderij, van de hand van een toonaangevend kunstenaar, had vanzelfsprekend ook een politieke functie en moest machtsaanspraken ondersteunen.

Maar het was niet de prinselijke staat van de gebroeders De Witt die leidde tot hun snelle ondergang. In een tijd van hoge belastingen, angst voor en ontevredenheid over de oorlog die de Republiek in het `rampjaar' 1672 aan alle kanten bedreigde, werden de Oranjesympathisanten steeds invloedrijker. Johan werd verantwoordelijk gehouden voor de politieke malaise, terwijl Cornelis ervan werd beschuldigd medeplichtig te zijn aan een moordaanslag op de prins. Luc Panhuysen beschrijft in plastische zinnen de huiveringwekkende laatste dagen van de gebroeders, waarin Cornelis werd vastgehouden in de Haagse Gevangenpoort, werd gefolterd en ter dood veroordeeld. Toen Johan zijn broer kwam afhalen had zich een bloeddorstige menigte gevormd, die de broers uiteindelijk zou ombrengen. Hun kleding en afgesneden lichaamsdelen werden ter plekke verkocht, hun ingewanden gingen van hand tot hand en er zou zelfs een oog zijn ingeslikt. In een oprisping van gruwelijke ironie werd op de resten van de antiprinselijke broers, ondersteboven aan een galg opgehangen, een papier geprikt dat spottend `waterprins' vermeldde bij Cornelis, en `landprins' bij Johan de Witt.

Gebroeders De Witt; macht en onmacht in de Gouden Eeuw. T/m 15 januari in het Dordrechts Museum. Inl. www.dordrechtsmuseum.nl en www.gebroedersdewitt.nl.

`De ware vrijheid. De levens van Johan en Cornelis de Witt' is verschenen bij uitgeverij Atlas

    • Bram de Klerck