Als de pennen strijden

Rumoer hoort bij de Nobelprijs voor Literatuur. In de aanloop naar de bekendmaking van de nieuwe laureaat een korte serie over controversiële winnaars. Deze week: Aleksandr Solzjenitsyn, winnaar in 1970.

iet eerder dienden scherpe pennen als venijnige wapens in de Koude Oorlog. Niet eerder konden de Russische beer en het Zweedse edelhert het zo slecht met elkaar vinden. Niet eerder zat het Nobelcomité zo in de rats. Nee, geen enkele Stockholmse letterkardinaal had in 1970 verwacht dat de toekenning van de Nobelprijs voor Literatuur aan de Russische schrijver Aleksandr Isajevitsj Solzjenitsyn zo'n rel zou veroorzaken.

Ze hadden beter kunnen weten. Solzjenitsyn (Kislovodsk, 1918) voerde al jarenlang een éénmansoorlog tegen de Sovjet-autoriteiten. Met de pen als enige wapen en het gepubliceerd krijgen van zijn boeken als voornaamste doel. Boeken die een aanklacht vormden tegen de communistische dictatuur, boeken die de waarheid over de onderdrukking van het Russische volk vertelden, boeken die concentratiekampen onthulden vol onschuldige burgers.

Op de achtergrond speelde er bij Solzjenitsyn overigens nog een andere ambitie mee: het winnen van de Nobelprijs. Want zoals hij in zijn autobiografische geschrift Het kalf stoot de eik bekent, droomde hij al van het winnen van de prijs voordat hij ook maar één literaire letter op papier had gezet.

De schrijverscarrière van Solzjenitsyn begon in 1962 al even onstuimig toen in het novembernummer van het liberale tijdschrift Novy Mir (Nieuwe Wereld) de novelle Een dag van Ivan Denisovitsj werd afgedrukt. Ineens kon de gewone Rus lezen wat miljoenen landgenoten in Stalins concentratiekampen hadden meegemaakt. Het boek had een hoog echtheidsgehalte, omdat het was gebaseerd op Solzjenitsyns eigen ervaringen. Als officier van het Rode Leger was hij aan het eind van de Tweede Wereldoorlog naar een werkkamp in de poolcirkel gedeporteerd, nadat hij zich in een brief aan een vriend niet zo positief over Stalin had uitgelaten. Na Stalins dood in 1953 mocht hij zijn straf uitzitten als balling in Kazachstan, totdat hij in 1956 werd gerehabiliteerd en zich als wiskundeleraar in het afgelegen stadje Rjazan vestigde.

Een dag van Ivan Denisovitsj was meteen een literaire en politieke sensatie. De oplage van Novy Mir was binnen enkele dagen uitverkocht, de 54-jarige debutant wereldberoemd. De novelle kon in 1962 worden uitgegeven dankzij de politieke dooi die na Stalins dood in 1953 door diens opvolger Nikita Chroesjtsjov werd ingezet. Schrijvers durfden voor het eerst de grenzen van het – verplichte – socialistisch realisme te overschrijden. Met als direct gevolg dat in de literatuur het geïdealiseerde beeld van de Sovjet-samenleving plaatsmaakte voor de rauwe werkelijkheid. Chroesjstjov had bij die ontwikkeling alle belang, omdat zij hem hielp de persoonlijkheidscultus van Stalin af te breken en zijn eigen positie te versterken.

Solzjenitsyn had enorm veel geluk. Want kort na het verschijnen van Een dag van Ivan Denisovitsj sloeg het conservatieve deel van de cultuurpolitici in het Kremlin terug en werd de literaire vrijheid weer voor een groot deel teruggedraaid. In het vervolg zat het Solzjenitsyn alleen maar tegen. In de loop van 1963 kreeg hij weliswaar nog enkele verhalen gedrukt, maar de reacties van de autoriteiten werden steeds heftiger. Na het afzetten van Chroesjtsjov in 1964 wisten ze zelfs te verhinderen dat Solzjenitsyn de Leninprijs voor letterkunde kreeg.

Inmiddels bereikten in de Sovjet-Unie teksten die niet door de censuur kwamen de lezers steeds vaker via samizdat, een kettingbriefmethode van uitgeven waarbij verboden kopij werd vermenigvuldigd door middel van schrijfmachine en carbonpapier om die vervolgens als een soort illegale blaadjes in binnen- en buitenland te verspreiden. Deze manier van uitgeven kwam Solzjenitsyn van pas nu zijn roman Kankerpaviljoen – die ook over de kampen ging – niet mocht verschijnen. Hij werd inmiddels in de gaten gehouden door de KGB, die een lastercampagne tegen hem voerde waarin hij werd uitgemaakt voor een gek, een zoon van een grootgrondbezitter, een jood en een collaborateur met de nazi's.

Open brief

In 1967 had Solzjenitsyn, die voor niets en niemand bang was, er genoeg van. In een open brief aan het Vierde Congres van de Schrijversbond uitte hij zijn ergernis over alles wat hem dwars zat. Ook pleitte hij voor het afschaffen van de censuur en vond hij dat de bond het voor zijn leden moest opnemen wanneer die werden lastiggevallen door de overheid. Het schrijverscongres nam de brief niet in behandeling.

In 1968 verscheen Kankerpaviljoen in het buitenland, gevolgd door de roman In de eerste cirkel. Een jaar later werd Solzjenitsyn uit de Schrijversbond gezet. In het buitenland was zijn reputatie inmiddels enorm. Het wekte daar dan ook weinig verbazing toen hem in 1970 de Nobelprijs werd toegekend.

De uitverkiezing van Solzjenitsyn was echter allesbehalve soepel verlopen. De leden van de Academie wilden namelijk voorkomen dat Solzjenitsyn, net als Boris Pasternak in 1958, de prijs onder druk van de Sovjet-autoriteiten zou afwijzen. Binnen de muren van de Academie liep het debat dan ook hoog op. Uiteindelijk werd besloten een afgevaardigde naar Moskou te sturen om Solzjenitsyns vrienden te polsen. Maar pas nadat Zweedse vertalingen van In de eerste cirkel en Kankerpaviljoen verschenen en ook de Internationale PEN-club zijn steun voor Solzjenitsyn uitsprak en overwoog hem erelid te maken van ieder PEN-centrum ter wereld, werd het pleit ten gunste van de omstreden kandidaat beslecht. De Zweedse Academie roemde nu volmondig de ethische kracht waarmee Solzjenitsyn de tradities van de Russische literatuur had voortgezet.

Toen Solzjenitsyn officieel van zijn uitverkiezing op de hoogte werd gesteld, stuurde hij een danktelegram aan het Nobelcomité waarin hij beweerde de prijs te zien als een eerbetoon aan de Russische literatuur en de geteisterde Russische geschiedenis. Dat laatste werd door de Sovjet-autoriteiten meteen als een politieke uitspraak opgevat. De volgende dag publiceerden de Pravda en Izvestija een verklaring van de Schrijversbond. Hierin schilderden ze Solzjenitsyn af als de lieveling van westerse reactionaire kringen en werd hij ervan beschuldigd zijn werk illegaal naar het buitenland te sturen. Ook de Zweedse Academie werd hevig onder vuur genomen.

Solzjenitsyn ging onmiddellijk in de tegenaanval en schreef een brief aan partij-ideoloog Michaïl Soeslov. Arrogant als hij was, stelde hij hierin voor dat Kankerpaviljoen zou worden gepubliceerd en zijn boeken weer in de bibliotheken werden gezet. Ook wilde hij dat een aantal van zijn verhalen in de kranten zou verschijnen. Op die manier kon de situatie binnen de Sovjet-literatuur volgens hem worden genormaliseerd en zou hij de Nobelprijs onder gunstiger omstandigheden in ontvangst kunnen nemen dan nu het geval was. De reactie op deze brief was een nieuwe reeks scheldartikelen in de Sovjet-pers.

Behalve het Nobelcomité raakte nu ook de Zweedse regering in paniek. Zweedse diplomaten deden er alles aan de politieke dimensies van de toekenning te ontzenuwen.

Solzjenitsyn, die aanvankelijk vastbesloten was om voor de huldiging naar Stockholm te gaan en daar een vlammend betoog te houden waarin hij al zijn grieven kon uiten, had inmiddels besloten thuis te blijven. Zijn maîtresse Natalja Svetlova was zwanger van hem en hij vreesde niet meer naar de Sovjet-Unie terug te mogen keren als hij het land zou verlaten. Hij probeerde nu een alternatieve prijsuitreiking te organiseren in de Zweedse ambassade in Moskou. Maar de Zweedse regering wilde er niets van weten. Hoogstens kon er sprake zijn van een overhandiging van de oorkonde en de Nobelmedaille in de werkkamer van de ambassadeur, zonder publiek of receptie.

Wel kreeg Solzjenitsyn toestemming om per diplomatieke post een brief aan de Zweedse Academie te versturen, waarin hij de redenen voor zijn wegblijven kon uiteenzetten. Hij benadrukte hierin zijn weerzin tegen het aanvragen van een buitenlands paspoort, zijn afkeer van formele ceremonies en zijn angst om niet meer terug te mogen keren. Opnieuw verzocht hij de Academie hem de prijs in Moskou te komen overhandigen. Opnieuw werd zijn verzoek afgewezen.

De Academie wilde de brief geheimhouden tot op de dag van de ceremonie. Maar Solzjenitsyn, zich altijd bewust van de impact van alles wat hij schreef, liet de tekst uitlekken naar de westerse pers. Hem werd nu gevraagd een nieuwe verklaring op te stellen die tijdens het banket kon worden voorgelezen. In die tekst verwees hij naar al zijn stokpaardjes: mensenrechten, politieke gevangenen, hongerstakers. Het Nobelcomité werd er ernstig door in verlegenheid gebracht.

Lege stoel

Tijdens de plechtigheid op 10 december, die door de Sovjet-Unie en de Oostbloklanden werd geboycot, deed het comité krampachtig zijn best alle nieuwe hindernissen te omzeilen. De zin uit Solzjenitsyns verklaring over hongerstakers werd dan ook niet uitgesproken, uit angst voor een nieuwe provocatie van de Sovjet-Unie. Zelfs de lege stoel aan het banket, een symbool voor de gedwongen afwezigheid van de laureaat, stond er niet. Solzjenitsyn, die samen met een paar vrienden in de datsja van de cellist Mstislav Rostropovitsj de prijsuitreiking via de radio volgde, zou de volgende dag de oorspronkelijke tekst in zijn geheel in samizdat publiceren.

Ook na de ceremonie bleef de Sovjet-Unie de Zweedse regering en het Nobelcomité onder druk zetten. Met als gevolg dat het Nobelcomité alsnog zwichtte voor de Russische knoet en een tentoonstelling van een Zweedse mensenrechtenorganisatie over Solzjenitsyns werk boycotte. Na vijf dagen werd die tentoonstelling zelfs door de autoriteiten gesloten.

Op 30 december baarde Natalja Svetlova een jongetje: Jermolaj (Hermes). Voor Solzjenitsyn was er de komende tijd iets belangrijker dan de Nobelprijs. Zijn werk verscheen sindsdien alleen nog maar in het buitenland. Met als hoogtepunt de publicatie van de Goelag Archipel, in 1973 in Parijs. Over dit boek schreef de Amsterdamse Ruslandhistoricus J.W. Bezemer terecht dat het `in de westelijke wereld wellicht meer illusies over de Sovjet-Unie de bodem heeft ingeslagen dan enig ander boek over Stalins terreur.' Korte tijd hierna werd Solzjenitsyn gearresteerd en op 13 februari 1974 naar het buitenland gedeporteerd. Daar ging hij onverstoord verder met wat hij al sinds zijn jeugd als zijn taak zag: schrijven over de geschiedenis van de Russische revolutie. Hij was nu een vrij man, wat hem op 10 december van hetzelfde jaar in staat stelde naar Stockholm te reizen en de Nobelprijs alsnog in ontvangst te nemen.

In 1976 verhuisde hij naar de Amerikaanse staat Vermont, waar het landschap en de strenge winters hem aan Rusland deden denken. Pas na de definitieve ineenstorting van de Sovjet-Unie keerde hij naar Rusland terug. Als een tsaar die de burgeroorlog gewonnen had, reisde hij in 1994 per trein het hele land door, van Vladivostok naar Moskou. Sindsdien haalde hij zich regelmatig de ergernis van het westen op de hals door te pleiten voor een sterk autoritair regime in zijn vaderland. Alleen zo kon Rusland volgens hem efficiënt worden bestuurd. De huidige verlichte dictatuur van president Poetin zal hem dan ook ongetwijfeld bevallen.

Zie voor eerdere afleveringen www.nrc.nl

`Het kalf stoot de eik' verscheen in 1976 bij uitgeverij De Boekerij.

Michael Scammell, `Solzhenitsyn. A biography', Hutchnson & Co, 1985