Misdadigers moeten snel trouwen

Criminoloog Blokland bestudeerde de levensloop van 5.000 mensen die in 1977 een misdrijf pleegden. Conclusie: trouwen halveert de kans op recidive.

Dieven en inbrekers die trouwen zijn daarna minder geneigd tot crimineel gedrag. Dat is de conclusie van criminoloog Arjan Blokland, die vandaag promoveert aan de Universiteit van Leiden. Zijn dissertatie is een studie naar de levensloop van ruim vijfduizend mensen die in 1977 voor de rechter moesten verschijnen (ze waren toen gemiddeld 25 jaar).

Dit soort langlopende studies zijn zeldzaam in de criminologie, maar zijn wel het meest gedegen. Criminologen die iets wilden zeggen over de invloed van trouwen en scheiden op een criminele carrière kampten tot nu toe met een kip-of-ei-probleem: raken criminelen die getrouwd zijn hun wilde haren kwijt? Of besluiten boeven die van zichzelf een rustiger karakter hebben eerder om te trouwen? Blokland heeft nu geturfd hoeveel veroordelingen criminelen hadden in hun jaren als vrijgezel en hoeveel in hun jaren als echtgenoot. ,,Ik heb mensen met zichzelf vergeleken'', aldus Blokland. Een eventueel verschil in karaktereigenschappen tussen de getrouwde en ongetrouwde boeven speelt zo geen rol van betekenis meer.

Blokland vond een sterk effect: voor criminelen die trouwen loopt de kans op een veroordeling terug met de helft. Die constatering is niet alleen wetenschappelijk interessant, maar ook vanuit het oogpunt van criminaliteitsbestrijding. Blokland: ,,Het kan consequenties hebben voor de manier waarop je omgaat met gevangenen. Als een getrouwde crimineel geen goede bezoekregeling heeft, dan krijg je later misschien de rekening gepresenteerd. Als zijn vrouw tijdens zijn gevangenschap van hem scheidt, dan valt misschien een van de weinige remmende factoren [van crimineel gedrag] weg die zo iemand nog heeft. Dat betekent dat je moet proberen de band tussen een crimineel en zijn vrouw te faciliteren. Het kan een overweging zijn om huisarrest op te leggen in plaats van een gevangenisstraf.''

Voordat hij strafrecht en sociale psychologie ging studeren in Utrecht werkte Blokland (1973) vijf jaar op straat als agent. Zijn vader werkte ook bij de politie. Blokland was wijkagent in Rotterdam-West. ,,Een echte volksbuurt'', zegt hij. ,,Destijds zorgden drugs en prostitutie er voor 80 procent van de criminaliteit. Een leuk gebied om te werken, maar je zou er voor geen goud willen wonen.'' Blokland doet zijn ervaring op straat af als ,,een blauwe maandag'', maar die helpt hem wel om de statistische stereotypen uit zijn dissertatie als echte mensen voor zich te zien.

De vijfduizend criminelen die hij heeft bestudeerd vertegenwoordigen zo'n vier procent van alle zaken die in 1977 werden afgehandeld door rechters of het openbaar ministerie. Alle 150 gevallen van (pogingen tot) moord- en doodslag zijn ook in het onderzoek meegenomen. Het betreft een allegaartje van junks, dieven, moordenaars en inbrekers. Op basis van de criminele carrière die volgde in de 25 jaar na het delict verdeelde Blokland de boeven en boefjes in drie categorieën: 1,5 procent veelplegers (decennialang veroordeeld voor circa twee misdrijven per jaar), de middenmoot (rond hun twintigste eens in de één à twee jaar veroordeeld), een categorie die sporadisch in de fout gaat (eens in de vier of vijf jaar) en ruim 62 procent eendagsvliegen die in totaal niet meer dan één of twee keer veroordeeld werden.

De criminele carrière van elk van deze groepen verschilt, en Blokland bracht deze golfbewegingen in kaart (zie afbeelding). Die exercitie leverde veel nieuwe inzichten op en gaf Blokland een empirisch instrument om theorieën van bekende Amerikaanse en Britse criminologen kritisch te bezien. Dat de criminele carrières van velen piekten op een leeftijd van circa 25 jaar was een bevestiging van eerder onderzoek. Verrassend was daarentegen de aard van de vergrijpen van de daders die hun criminele carrière voortzetten. In deze groep diehards verdriedubbelt het aantal veroordelingen voor eenvoudige diefstalletjes. Blokland kwam er achter dat volhardende veelplegers in meerderheid stelende harddrugsverslaafden zijn.

Met deze bevindingen in de hand plaatst Blokland kritische kanttekeningen bij de theorieën van invloedrijke criminologen als John Laub en Robert Sampson (die criminaliteit zien als iets dat wordt bepaald door iemands levensloop, individuele keuzes en toevalligheden), maar ook bij het gedachtegoed van Michael Gottfredson en Travis Hirschi (die criminaliteit verklaren vanuit groepsprocessen).

Tegenwoordig, zegt Blokland, is er sprake van een psychologisering van verklaringen van crimineel gedrag. Invloedrijk in dit verband is de theorie van de Britse psychologe Terry Moffitt. Op grond van langlopend onderzoek in Nieuw-Zeeland onderscheidt zij twee groepen daders: de pubers met jeugdzonden en diehards met een moeilijk karakter, die vaak ook oplopen tegen gezinsproblemen. Volgens Moffitt volhardt met name die laatste categorie in criminaliteit. Hun individuele achtergrond zou maken dat zij ook de meeste geweldsmisdrijven plegen.

,,Die theorie wordt door mijn onderzoek niet ondersteund'', zegt Blokland. ,,Er bestaat ook nauwelijks een verband tussen het type delict waarvoor mensen in 1977 veroordeeld zijn en de vraag of daders op latere leeftijd in hun gedrag volharden. Dat soort hypothesen komen dicht in de buurt van aloude volkswijsheden als `eens een dief, altijd een dief'. Dat is een enorme oversimplificatie.''

    • Michiel van Nieuwstadt