Meer zuur, minder zoet

Met een onderbreking van een paar maanden (in 2002) beheert minister Zalm de schatkist nu al sinds 1994. De door de wol geverfde bewindsman weet als geen ander van zoet en zuur. In de tweede helft van de jaren negentig kon het niet op. Onze economie groeide met bijna 4 procent per jaar. Het tweede kabinet-Kok gooide eind 2000 olie op het vuur van de heersende hoogconjunctuur in de vorm van een gigantische belastingverlaging. Daarmee had de overheid echter haar kruit verschoten toen in het begin van deze eeuw een reeks magere jaren begon. Lastenverlichting was uiterst welkom geweest om de koopkracht van de burgers te ondersteunen.

In plaats daarvan schroefde het kabinet de lastendruk voor de gezinnen in de periode 2003-2005 met bijna 9 miljard euro op. Zij hielden netto minder over om uit te geven, wat de onderbesteding in de economie verergerde. Zo versterkte het beleid de conjunctuurbeweging. Het kabinet gaf – terecht – prioriteit aan vermindering van het begrotingstekort boven lastenverlichting. Maar de timing van het in de afgelopen tien jaar gevoerde begrotingsbeleid had bijna niet beroerder kunnen zijn. In de vette jaren had de regering naar een flink overschot toe moeten werken. Dan was er in de magere jaren ruimte geweest om de budgettaire teugels te vieren.

In de rijksbegroting voor 2006 wekt de regering de indruk dat – na al het zuur van de afgelopen jaren – weer betere tijden voor de huishoudportemonnee aanbreken. De lasten voor gezinnen zouden komend jaar met ruim 2 miljard euro dalen. Maar dat klopt niet. Een overzicht op bladzijde 140 van de Macro Economische Verkenning (MEV) laat zien dat ook volgend jaar de druk van belastingen en sociale premies voor gezinnen stijgt. Weliswaar een stuk minder dan de afgelopen jaren het geval was, maar toch altijd nog met een kwart miljard euro.

De media zijn echter massaal gevallen voor de boodschap van spin doctors die het regeringsbeleid zo rooskleurig mogelijk willen voorstellen. Voorlichters van de overheid gieten een zoete saus over het opnieuw zure lastenbeeld door een kersverse subsidie te verkopen als een lastenverlichting. Het gaat hier om de zorgtoeslag. Daarop kunnen zes van de zeven miljoen huishoudens vanaf 1 januari aanspraak maken, omdat zij de premie voor de nieuwe zorgverzekering niet volledig uit eigen zak hoeven te betalen. Met die zorgtoeslag is 2,6 miljard euro gemoeid. De informatie-`spinners' strepen dit bedrag weg tegen de stijging van de belasting- en premiedruk (met ruwweg een kwart miljard euro). Et voilà: op papier dalen de lasten met meer dan 2 miljard euro.

Deze presentatie is misleidend. Het begrip `lasten' doelt op belastingen en premies voor de sociale verzekeringen. Want anders kun je ook de verhoging van de AOW-uitkering per 1 januari aanstaande wel als lastenverlichting aanmerken. En bezuinigingen op de huursubsidie moeten dan voortaan als lastenverzwaring gelden. Maar dat laatste gebeurt niet, voorzover ik kan nagaan. Uitsluitend de invoering van de zorgtoeslag wordt in de stapel begrotingsstukken tot lastenvermindering bestempeld.

Belastingmaatregelen, zoals hogere heffingskortingen en de afschaffing van de onroerendezaakbelasting voor woninggebruikers, bieden echte lastenverlichting en vergroten de koopkracht. Koopkrachtplaatjes beogen een beeld te geven van veel door het kabinet getroffen maatregelen. De meest simpele plaatjes laten voor 2006 veelal een plus(je) zien.

Een maand geleden heb ik op deze plek toegelicht dat het Centraal Planbureau (CPB) ook berekeningen maakt, uitgaande van wel 39.000 verschillende gezinssituaties. Dat levert veel completere, zij het nog steeds allesbehalve perfecte koopkrachtbeelden op. Die zijn dit keer onthullend. Uit de presentatie op bladzijde 120 van de MEV valt af te leiden dat ten minste een tot anderhalf miljoen huishoudens er komend jaar tot 4 procent in koopkracht op achteruitgaan. Daarbij veronderstelt het Planbureau een economische groei van 2,5 procent. Ramingen van veel andere instanties komen lager uit. Ook rekent het Planbureau met een olieprijs van 50 dollar per vat. Dat kan aanzienlijk meer worden, met extra nadelige gevolgen voor de koopkracht.

Desgevraagd wil het CPB geen concreet cijfer noemen voor het aantal huishoudens dat volgens hun simulaties komend jaar beneden de nullijn terechtkomt. De voornaamste reden is dat ook bij de berekeningen voor 39.000 verschillende gezinssituaties noodgedwongen (door gebrek aan gegevens) veelal met gemiddelden wordt gewerkt. Mijn conclusie – koopkrachtzuur voor een tot anderhalf miljoen huishoudens in 2006 – spreekt het CPB echter niet tegen.

Les één: de regering hoort veel meer nadruk te leggen op beperkingen die eigen zijn aan in de rijksbegroting gepresenteerde koopkrachtcijfers. Les twee: de betrokken ministers zouden eerlijk moeten zeggen dat koopkrachtbehoud er volgend jaar voor een op de zes à zeven huishoudens niet in zit. Dat is zuur, maar verstandig. Want wanneer de belofte van zoet in januari aanstaande voor velen niet wordt ingelost, neemt het vertrouwen van de bevolking in ministers en volksvertegenwoordigers verder af.

De rekening – zuur voor de regeringspartijen, zoet voor de oppositie – wordt opgemaakt bij de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2006.

    • Flip de Kam