Hittegolf van 2003 fnuikt plantengroei

De hittegolf die zich in 2003 in Europa voordeed heeft de plantengroei ongekend zwaar getroffen. Naar schatting is de groei in bossen en op weiden en akkerland gemiddeld over Europa zo'n 20 procent achtergebleven bij het gemiddelde over 1960-1990. Het gevolg was dat ecosystemen in 2003 netto CO2 afgaven aan de atmosfeer. Ruwweg deed de onverwachte CO2-productie de netto CO2-opname van de vier vorige jaren teniet.

Dat is de uitkomst van een Europese studie die is gepubliceerd in Nature (22 september). Het resultaat kan vergaande consequenties hebben voor het toekomstige broeikasbeleid. Tot dusver werd meestal aangenomen dat de optredende klimaatverandering in Europa de plantengroei zou stimuleren. Daardoor zou extra CO2 worden vastgelegd. Maar als de opwarming de vorm gaat aannemen van hittegolven kan het effect juist averechts zijn. In 2003 is uit de Europese ecosystemen naar schatting zo'n 500 megaton koolstof vrijgekomen, ruim twee keer zoveel als de jaaruitstoot van Nederland.

De achterblijvende groei is vooral door de droogte veroorzaakt en zou dus een incident kunnen zijn. Dat ook de hitte een rol speelde blijkt uit landbouw-oogsten uit geïrrigeerde gebieden: ook die daalden sterk. In de Italiaanse Po-vlakte viel de maïsoogst 36 procent lager uit. Elders had de wintertarwe, die rijp was voor de hitte inviel, nauwelijk te leiden.

Een verrassing was dat ook de gewone nachtelijke CO2-productie van ecosystemen (veroorzaakt door de `ademhaling' van planten en de voortgaande bacterie-activiteit in de bodem) sterk daalde. Aangenomen was dat die door de hoge temperatuur zou stijgen. Droogte gaf de doorslag.

De feitelijke metingen aan de CO2-huishouding van de Europese ecosystemen werden vooral verricht vanaf hoge torens in bossen. Ze werden gecombineerd met satelliet-waarnemingen en ingevoerd in computermodellen.