`Het valt wel mee met de euroscepsis'

Onderzoekers van het SCP verschillen met het kabinet van mening over de motieven achter het Nederlandse nee tegen de Europese Grondwet.

Nederlanders denken positiever over de Europese samenwerking dan de uitslag van het referendum van 1 juni en de reactie van het kabinet daarop doen vermoeden.

Premier Balkenende zei steeds dat Nederlanders het tempo van integratie in de EU te hoog vinden en dat ze minder aan `Brussel' willen betalen. Die conclusie is betwistbaar, zo blijkt uit het op prinsjesdag gepubliceerde rapport Europese Tijden van het Sociaal en Cultureel Planbureau. De afwijzing van de Europese Grondwet was ,,geen uitbarsting van langdurig opgebouwde weerstand tegen de Europese integratie'', aldus het SCP. Ze had meer te maken met de referendumcampagne zelf.

Trok de premier onjuiste conclusies uit `1 juni'? Aan de ene kant wel, aan de andere kant ook weer niet, meent SCP-onderzoeker Paul Dekker. In een toelichtend gesprek zegt de politicoloog uit Tilburg: ,,Wij baseren ons op de periodieke Europese opiniepeilingen – de zogenaamde Eurobarometers – van 1975 tot eind 2004. Daaruit blijkt een ander beeld dan Balkenende schetst. Nederlanders zijn structureel positief over de Europese samenwerking, al is dit percentage in de jaren negentig wel wat gedaald. De meesten vinden ook dat de Europese integratie sneller zou moeten gaan dan die in werkelijkheid gaat. Verder maakten Nederlanders zich volgens de Eurobarometers niet zo druk over de kosten van de EU. Sterker nog, het aantal mensen dat vond dat Brussel ons te veel geld kost, was eind 2004 juist mìnder geworden vergeleken met voorjaar 2004.''

Balkenende's conclusies zijn echter wel te begrijpen als reactie op wat er tijdens de referendumcampagne gebeurde, aldus Dekker. Daarin waren deels door toeval, mediagedrag en door de neiging van mensen elkaar na te praten verschillende thema's komen bovendrijven: de dure euro, Europa als superstaat. Die versterkten weliswaar de nee-stem, maar geven niet per se een representatief beeld van de opvattingen over Europa, aldus Dekker.

,,De opvattingen van de meeste Nederlanders over Europa zitten nu eenmaal niet zo diep. Daardoor zijn ze vatbaar voor de eigen dynamiek van zo'n referendumcampagne. Toevalligheden zoals zo'n interview met directeur Brouwer van De Nederlandsche Bank over de (dure) euro krijgen dan al snel grote gevolgen.'' Dat betekent niet, aldus Dekker, dat men zich geen zorgen maakt over dure euro of nationale soevereiniteit. Die zorgen tekenden zich ook al af in de Eurobarometers. Het is echter de grote invloed die zulke thema's op de campagne kregen en daarmee de uitslag gingen bepalen, die het SCP wil relativeren met de cijfers uit het verleden.

Dekker: ,,Daarbij geef ik grif toe dat de antwoorden uit de door ons gebruikte Eurobarometers iets oppervlakkigs hebben. Daaraan gaat meestal geen diep gedachtenproces vooraf. Maar hetzelfde kun je zeggen over de motieven om op 1 juni ja of nee te stemmen. Die waren heel diffuus, en hadden slechts ten dele te maken met Europa en het Grondwettelijk Verdrag. Veel mensen vinden het nu eenmaal moeilijk om iets te vinden van Europa. Hopelijk helpt de komende Nationale Europa Discussie om die meningen wat te verstevigen.''

In zekere zin is er een overeenkomst tussen 1 juni 2005 en 15 mei 2002 – de tumultueuze verkiezingen na de dood van Pim Fortuyn, zegt Dekker. In beide gevallen speelt het sterk verminderd vertrouwen in de politiek een belangrijke rol. ,,Burgers zijn hypergevoelig voor alles wat naar regentendom of paternalisme riekt.''

Zeker Europa heeft op dat punt een probleem. ,,Politici beweren daarover steeds twee dingen tegelijkertijd: a. dat de Europese samenwerking prachtig is, en b. dat ze onontkoombaar is. Mensen voelen dat hier iets niet klopt. In de gesprekken met focusgroepen tijdens de referendumcampagne vertaalde zich dat in het gevoel `iets door de strot geduwd krijgen'.''

Daarnaast heeft Europa nog een ander probleem, zegt Dekker. ,,Zodra je in een campagne voorbeelden gaat geven van de invloed van Europa op het dagelijks leven, zijn dat vaak negatieve voorbeelden, of dat nu over luchtkwaliteit gaat, of over de economie. De concrete maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit – de stadsbus bijvoorbeeld die hier niet meer door het Haagse centrum mag rijden, kun je met eigen ogen zien. Tegelijkertijd moet je moet maar aannemen dat daarmee het milieu in Europa is gediend. Geloven gaat mensen sowieso al moeilijk af, vooral als het gaat om Europa. Het ja-kamp raakte daardoor tijdens de campagne in het defensief.''

Dekker hoopt dan ook dat de komende Nationale Europa Discussie niet te veel uitgaat van ,,voorbeelden hoe Europa ingrijpt in uw of mijn dagelijks leven. Zo'n `Europa, best belangrijk'-aanpak heeft niet alleen het risico dat ze blijft steken in de genoemde negatieve voorbeelden. Er zit ook de foute veronderstelling achter dat mensen zich vanzelf meer in Europa gaan verdiepen als ze die voorbeelden herkennen. Er speelt zo veel een rol in uw of mijn leven. Van te veel zonneschijn kun je huidkanker krijgen, weet iedereen. Maar dat betekent nog niet dat ook iedereen zich verdiept in de medische literatuur daarover.''