Het kan ook anders

De zure jaren zijn voorbij, heeft minister Zalm beloofd bij de presentatie deze week van de miljoenennota. Dit moest het begin zijn van de zoete jaren. Maar dat is nog niet het geval. Het pensioenenbeleid is ontspoord, er komt een stortvloed aan stelselwijzigingen over ons heen. De burger vertrouwt het niet en haakt af, aldus Leo Stevens.

Bij zijn aantreden heeft het kabinet ons voorbereid op zuurzoet beleid. De miljoenennota 2006 zou het begin van de zoete periode zijn. Maar de plannen voor 2006 leiden tot de zure conclusie dat de oogsttijd is vertraagd. Het kabinet wil ons euforie aanpraten, maar de burger ziet weinig terug van de aardgasmeevaller van de schatkist, waaraan hij fors heeft moeten meebetalen. Het fiscale beleid is voor de meeste mensen eerder beklemmend dan inspirerend. Ze raken door de vele stelselherzieningen het zicht op hun financiële positie kwijt. De sociale zekerheid, het pensioenstelsel en de zorgverzekering worden ingrijpend verbouwd, maar het gevoel ontbreekt dat er een doordachte regie achter zit. De burger denkt: eerst zien, dan geloven. Hier wreekt zich dat het kabinet te weinig heeft geïnvesteerd in maatschappelijk vertrouwen.

Ook al hebben we de Europese Grondwet weggestemd, Europa is een realiteit. Wie zich door Geert Mak over de traumatische kronkelwegen van Europa's twintigste eeuw heeft laten meevoeren, zal beseffen dat de Europese Unie het podium moet zijn waarop de lidstaten – vreedzaam – hun gemeenschappelijke vraagstukken moeten oplossen. Maar Europa moet wel voldoende toegevoegde waarde hebben. Het moet de extra regeldruk en apparaatskosten overtuigend compenseren en de lasten evenwichtig verdelen. Als lidstaten simpelweg blijven steken in de nationalistische kreet `Ik wil mijn geld terug', is het afgelopen met Europa. Anderzijds mag Nederland, de grootste nettobetaler met een bijdrage van 181 euro per persoon, zich toch achter de oren krabben als Luxemburg, als grootste netto-ontvanger, van Europa 1.911 euro per persoon incasseert. Het ziet ernaar uit dat de Nederlandse bijdrage ook nog verder omhoog gaat.

De behoefte om in eigen land de dienst uit te kunnen maken staat op gespannen voet met de Europese beginselen van het vrije verkeer van kapitaal, personen, diensten en goederen. Deze mobiliteit eist haar tol. Sprekend voorbeeld is de Poolse vrachtwagenchauffeur die een maandloon heeft van 800 euro, en zijn Nederlandse collega van 3.000 euro bruto. Dit terwijl de Poolse vrachtwagenchauffeur vier weken van huis is en bivakkeert op parkeerplaatsen en de Nederlandse vrachtwagenchauffeur (begrijpelijkerwijs) de weekends thuis wil doorbrengen. Wie kan zich er dan nog over verbazen dat het transportwezen zijn zwaartepunt naar Polen verplaatst?

Vennootschapsbelasting

Over de groots aangekondigde hervorming van de vennootschapsbelasting is zelfs het bedrijfsleven niet enthousiast. Begrijpelijk, want de belastingdruk wordt niet lager, die wordt alleen anders verdeeld. Het tarief daalt wel tot 26,9 procent, maar tegelijkertijd wordt de basis waarover belasting wordt geheven verbreed.

De Tweede Kamer houdt zich sinds de presentatie van de herzieningsvoorstellen in april van dit jaar angstvallig stil. Staatssecretaris Wijn niet: hij wil een snellere beslissing forceren en kondigt nu al aan dat hij in de miljoenennota 2006 een deel van zijn plannen versneld wil invoeren. Waarvoor is de aangekondigde brede hervormingsdiscussie dan eigenlijk nodig?

Het lijkt er wel op dat eindelijk per 1 januari 2006 de kapitaalsbelasting wordt afgeschaft. Een goed voorbeeld van échte vermindering van administratieve lasten en versterking van Nederlands positie als financieel centrum.

Met de forse tariefsverlaging van de vennootschapsbelasting wil het kabinet de afgebrokkelde fiscale concurrentiepositie van Nederland verbeteren. Deze beleidskeuze is discutabel, want ze stimuleert een onwenselijke race to the bottom. Het is niet verstandig het tarievenbeleid af te stemmen op jachtige shortlist-investeerders. Ons land is meer gediend met solide ondernemingen.

De tariefoperatie kost 2,1 miljard euro. Daarvan moet 1,7 miljard worden gedekt door beperking van de afschrijvingen in de vastgoedsfeer. De vastgoedsector krijgt zodoende de rekening van de tariefsverlaging gepresenteerd. Dat zal leiden tot spetterend lobbywerk. Vergelijkbare plannen leden in de politieke arena al eerder schipbreuk. Een andere dekkingsmaatregel is de beperking van de verliesverrekening. Thans kunnen ondernemers hun verliezen nog onbeperkt verrekenen met toekomstige winsten of met de behaalde winsten van de afgelopen drie jaren. Dat levert in een verliesperiode een zeer welkome liquiditeitsimpuls. Het beperken van deze mogelijkheid zal het ondernemingsklimaat niet bepaald verbeteren. Deze discutabele dekking demonstreert de politieke kwetsbaarheid van de hervormingsoperatie. Bovendien staat de tariefsverlaging in de vennootschapsbelasting niet los van de inkomstenbelasting: het zijn communicerende vaten. Er is een globaal evenwicht nodig om te voorkomen dat overbodige BV's worden opgericht.

Bij een tariefsverlaging van de vennootschapsbelasting tot 26,9 procent zou het toptarief van de inkomstenbelasting moeten dalen van 52 tot 45 procent. Een andere optie is het inkomstenbelastingtarief voor gerealiseerde dividenden of koerswinsten van aandeelhouders van familievennootschappen te verhogen van de huidige 25 procent tot circa 35 procent. Maar beide opties zijn politiek onhaalbaar. Per saldo wordt met dit hervormingsplan veel onrust en weinig structuurverbetering bereikt. Het zou beter zijn de loonlasten te verminderen.

Het kan ook anders. De oplossing voor de ongelijke concurrentieverhoudingen ligt primair in Brussel. De stelsels van vennootschapsbelasting van alle lidstaten moeten op Europese leest worden geschoeid. De ultieme oplossing zou een Europese vennootschapsbelasting zijn. Andere opties zijn dat de lidstaten onderling overeenstemming bereiken over een geharmoniseerde winstvaststelling en/of de invoering van een Europees bodemtarief. Maar er wordt in dat dossier geen spat vooruitgang geboekt.

Intussen toetst het Europese Hof van Justitie de belastingregels aan de verdragsbeginselen die het vrije verkeer garanderen. De verdeling van de belastingdruk die democratisch op nationaal niveau tot stand is gekomen, kan daardoor op Europees niveau worden overruled. De budgettaire consequenties zijn aanzienlijk. Voor de nationale schatkisten wordt dit een steeds groter risico. De ontregelende werking van de arresten van het Europese Hof moet worden ingetoomd door daaraan niet langer terugwerkende kracht toe te kennen, tenzij het Hof expliciet heeft beslist dat de nationale wetgever redelijkerwijs kon en behoorde te weten dat zijn nationale wetgeving in strijd was met de Europese rechtsorde.

Het eigenwoningregime

In het najaar wordt de hervorming van de inkomstenbelasting geëvalueerd. Een uitgelezen moment voor de oppositie om een aantal politieke taboeonderwerpen ter discussie te stellen, die het kabinet steeds ontwijkt. Zelfs de Raad van State dringt thans aan op aanpassing. Bij de belastingherziening in 2001 moest het eigenwoningregime nadrukkelijk buiten de vermogensrendementsheffing blijven.

Door het lage eigenwoningforfait (0,6 procent van de ozb-waarde) en de aftrek van de feitelijk betaalde hypotheekrente in de progressieve box is de belastingreductie voor de eigenwoningbezitter hoger naarmate het inkomen hoger is. Zodoende komt het grootste deel van de bijna 9 miljard euro aan belastingsubsidie op het eigenwoningbezit terecht bij de midden- en hogere inkomens. Deze begunstiging is steeds moeilijker vol te houden, zeker als de rentevoet zou gaan oplopen. Momenteel probeert het kabinet via een convenant met de banken zwaardere eisen te stellen aan het verstrekken van tophypotheken. De gedragscode van hypotheekverstrekkers zal daarop worden aangepast, maar fiscaalrechtelijk is dat geen solide oplossing.

Het kan ook anders. Een betere oplossing is het eigenwoningregime onder te brengen in de vermogensrendementsheffing. Dit is niet alleen rechtvaardiger, maar ook veel eenvoudiger. Bezittingen en schulden worden dan allemaal volgens hetzelfde regime behandeld. Schulden voor de eigen woning hoeven niet meer te worden onderscheiden van andere schulden. Om het eigenwoningbezit te blijven stimuleren, kan een basisvrijstelling worden ingebouwd van bijvoorbeeld 200.000 à 300.000 euro. De hypothecaire schuld wordt een aftrekpost in de rendementsgrondslag. De (eventueel negatieve) rendementsgrondslag kan tegen het 30-procentstarief worden omgerekend tot een heffingskorting. Bij een eigen woning van 500.000 euro en een hypotheek van 400.000 euro betekent dit, uitgaande van een basisvrijstelling van 300.000 euro, dat de belaste bezitting 200.000 euro bedraagt. De schuld is 400.000 euro. De belastingkorting is dan 2.400 euro, namelijk 30 procent van 4 procent van het negatieve saldo à 200.000 euro.

Voorts kan de `kapitaalverzekering eigen woning' beter worden ondergebracht in de vermogensrendementsheffing en daar worden ingepast in de reeds bestaande tot 2029 geldende vrijstelling. Dat zou de rentearbitrage door het sluiten van `levenhypotheken' indammen en de eenvoud ten goede komen. De overdrachtsbelasting kan beter worden geschrapt. Zij belemmert de mobiliteit en flexibiliteit.

Uiteraard moet zo'n stelselwijziging stapje voor stapje worden ingevoerd, bijvoorbeeld door een geleidelijk aflopende extra gewenningsvrijstelling. Een duidelijke strategie voor de lange termijn neemt de groeiende onzekerheid over de houdbaarheid van de bestaande regeling weg en creëert draagvlak voor een bestendige stimulering van het eigenwoningbezit.

Vlaktaks

De vlaktaksdiscussie is net een griepepidemie: ze komt elk jaar terug in een iets gewijzigde variant. Het is een tot de verbeelding sprekende manier om de inkomstenbelasting eenvoudiger en transparanter te maken. Maar de vlaktaks is veel minder nieuw, en veel minder anders, dan men denkt. De huidige tariefstructuur lijkt er al op. Als we de drie laagste schijven in elkaar schuiven, ligt de vlaktaks binnen handbereik. Box 1 zou dan bestaan uit twee tarieven: een laag tarief van ergens tussen de 35 en de 40 procent en een toptarief van omstreeks 50 procent voor de hoogste inkomens (vlaktaks-plus).

De vlaktaksdiscussie heeft overigens belangrijke consequenties voor 65-plussers. In het bestaande systeem zijn zij vrijgesteld van de AOW-premieheffing. Zij betalen in de eerste en de tweede inkomensschijf daarom 17,9 procentpunt minder premie dan 65-minners. Door de oplopende vergrijzingskosten komt deze vrijstelling steeds meer ter discussie.

Het kan ook anders. Vermogende bejaarden moeten gaan meebetalen aan de AOW. Dan kan het tarief van de premies volksverzekeringen omlaag en drukken ze minder zwaar op de werkende generatie. Bijkomend voordeel is dat gekunsteld uitstel van inkomen niet langer wordt beloond met belastingbesparing.

Ouderen met uitsluitend een AOW-uitkering zullen er door de netto-nettokoppeling niet op achteruitgaan. Aanvullende pensioenen worden wél zwaarder belast. Om schokeffecten bij 65-plussers met kleine pensioenen te voorkomen, is een soepele overstap gewenst.

Inkomensafhankelijke regelingen

We worden bedolven onder informatie over de zorgtoeslag, de kinderopvangtoeslag en de huurtoeslag. De bedoeling is de inkomensafhankelijke regelingen beter op elkaar af te stemmen en inzichtelijker te maken. De belangrijkste vereenvoudigingswinst is de éénloketbenadering. De toeslagen worden via de belastingdienst uitgekeerd.

Helaas gaan er twee soorten draagkracht door elkaar lopen: de persoonlijke draagkracht van de geïndividualiseerde inkomstenbelasting, en de gezinsdraagkracht voor de toeslagen. Van begripsharmonisatie betreffende het partnerbegrip is niets terechtgekomen.

De zorgtoeslag hangt samen met de wijzigingen van het zorgstelsel per 1 januari 2006. Een volksverzekering had gepast bij de filosofie van collectieve basiszorg, maar het kabinet geeft voorrang aan de marktwerking. Zorgverzekeraars moeten gaan concurreren op basis van een vaste premie van 1.106 euro. Daarboven moet een inkomensafhankelijke premie worden betaald van 6,5 procent tot een maximaal inkomen van 30.015 euro. Voor werknemers wordt deze premie door de werkgever betaald; wel moet hij er loonbelasting over betalen. Gezinnen die verhoudingsgewijs te zware ziektekosten hebben, krijgen een inkomensafhankelijke zorgtoeslag. Voor kinderen tot achttien jaar zal de premie door de schatkist worden betaald. Sommige groepen krijgen een lagere inkomensafhankelijke premie. Via ingewikkelde omwegen komt het solidariteitsbeginsel zodoende toch om de hoek kijken.

Het kan ook anders. Voor de doorsnee burger zal daardoor geen transparanter stelsel ontstaan. Integendeel. De samenloop tussen de toeslag en de ziektekostenaftrek in de inkomstenbelasting is voor de gewone belastingbetaler niet meer te doorgronden. En dan is nog niks gezegd over de verzilveringsregeling voor de ziektekostenaftrek in gevallen waarin die niet tot een daadwerkelijke belastingvermindering leidt. Dit moet echt eenvoudiger!

Pensioenen en levensloop

Het pensioenbeleid is ontspoord. Op pensioenterrein is een volstrekt overbodige driedeling in regelgeving geïntroduceerd. Elk type regeling (VUT, prepensioen en gewoon pensioen) wordt vanaf 2006 volgens een verschillende heffingssystematiek belast. Het gevolg is rechtsonzekerheid en onnodige uitvoeringskosten.

Het kan ook anders. In feite heeft het kabinet een golf van overbodige regelgeving en grote maatschappelijke onrust veroorzaakt om langer werken af te dwingen, terwijl dit soepeler en beter had kunnen worden bereikt door geleidelijke verhoging van de pensioenrichtleeftijd van 60 naar 65 jaar.

De levensloopregeling is verre van eenvoudig. Zelfs degene die welwillend dit troetelkind van het kabinet bekijkt, gruwt van de gedetailleerde gebods- en verbodsbepalingen. Onaanvaardbaar is dat ondernemers worden buitengesloten. Slechts door het partijpolitieke speeltje op te sieren met fiscale tegemoetkomingen, wordt de levensloopregeling mogelijk voldoende aantrekkelijk om te worden opgenomen in het pakket van secundaire arbeidsvoorwaarden. Vooral de hogere inkomens en directeuren-grootaandeelhouders zullen ervan profiteren.

Ozb

Bijna misleidend is het voorstel van het kabinet om het bewonersdeel van de ozb af te schaffen. Het lijkt een lastenverlichting, maar is een lastenverschuiving. Verreweg de meeste uitvoeringskosten worden namelijk veroorzaakt door het taxatieproces. Maar taxatie blijft nodig voor het eigenwoningregime van de inkomstenbelasting en de waterschapsbelasting.

Bestuurlijk gênant is het onverholen kabinetswantrouwen in de lokale democratie. Het vindt dat de gemeenten te gemakkelijk de lokale lasten verhogen en dat de burgers zich daar terecht aan ergeren.

Het kan ook anders. Van een kabinet zou men meer nuance mogen verwachten. Het spreekwoord over de balk en de splinter is hier van toepassing.

Het resultaat is dat de burger afhaakt. De afwijzing van de Europese Grondwet door de Nederlandse bevolking was daarvan een overtuigende demonstratie. Formeel staat dat los van het kabinetsbeleid. Maar juist die ontkenning van een verband is de kern van het ongenoegen over het gevoerde beleid. Dat wordt overigens méér door emoties dan door rationele argumenten gevoed. De mensen hebben een hekel gekregen aan de inmiddels uitgeholde `beleids-preken'. Ze zien een krampachtig opererende overheid die een stortvloed van nieuwe regels oproept en hamert op het belang van `ontbureaucratisering'. Een overheid die ons eigen verantwoordelijkheid aanpraat, maar die niet erkent. Een overheid die een indringend debat, juist op fiscaal gebied, uit de weg gaat.

Leo Stevens is hoogleraar fiscale economie aan de Erasmus Universiteit.

    • Leo Stevens