Bismarck en de Rolling Stones

Op de omslag van het nieuwste nummer van het Amerikaanse muziektijdschrift Rolling Stone van 22 september staat een intrigerende zin: England's Newest Hitmakers. Wie dat zijn, is meteen duidelijk: de omslag beeldt de stralende gezichten van vier zestigers af: de Rolling Stones. De band die al bijna 40 jaar in business is, heeft zojuist zijn – volgens velen – beste nieuwe cd sinds 20 jaar uitgebracht.

Mooie ironie van Rolling Stone natuurlijk (een opmerkelijke omslag overigens die ook aandacht vraagt voor Paul McCartney – Best Album in Years – en Neil Young, terwijl Rolling Stone met 6 van de 10 lezers tussen 18 en 34 jaar bepaald geen muziekblad voor bejaarden is). Maar achter de cover schuilt een actueel sociaal vraagstuk: de pensioenleeftijd.

Keith Richard maakt in een interview duidelijk dat dat vraagstuk voor de Rolling Stones niet aan de orde is: ,,You can't get off this machine except when the wheels fall off.'' Ofwel: de Stones zullen pas in hun graf met spelen stoppen. Die dreiging leek trouwens even dichtbij. Drummer Charlie Watts moest kanker overwinnen om mee te kunnen gaan op de nieuwe wereldtour. Hij onderging een intensieve behandeling van zijn lymfeklieren die zijn spierkracht ernstig aantastte. Watts laconiek: ,,Toen we in Toronto aan onze tour begonnen, was ik pas voor 50 procent fit. Gezien mijn werk is dat een probleem. Een gitarist kan nog wel eens een paar maten overslaan. Een drummer moet er altijd zijn. Als je eenmaal hebt ingezet, kun je niet meer stoppen.'' En hij voegt er even achteloos aan toe: ,,Maar het is verbluffend hoe snel het lichaam heelt.''

Het zal de genezing van Watts zeker hebben geholpen dat drie makkers en stadions vol mensen op hem zaten te wachten. Er was in elk geval geen onduidelijkheid over de zin van zijn bijdrage, de zin van zijn bestaan.

Dat is wel een uitdaging voor de groeiende vergrijzende massa in de landen van de westerse welvaart. Voor veel mensen gaat het pensioen gepaard met een vrij wrede ontkoppeling van de dagelijkse betrokkenheid bij het wel en wee in de maatschappij. Meer vrije tijd is ongetwijfeld heerlijk, maar als de winst van die nieuwe vrijheid gepaard gaat met het verlies van betrokkenheid en zingeving is er weinig gewonnen. Uiteindelijk verlangt iedereen er naar dat haar of zijn leven ergens over gaat.

Wat dat betreft zijn banken en verzekeraars thans schuldig aan een ernstige vorm van volksverlakkerij. Op grote billboards op veel plaatsen langs de snelwegen hangen posters met beelden van golfkarretjes op groene velden in de felle zon en met daarop de indringende vraag of ik al aan mijn vroegtijdige pensionering heb gedacht. De achterliggende boodschap luidt dat ik stom ben dat ik nog aan het werk ben. Als ik maar eerder een polis had gekocht, had ik ook nu al in de Franse of Spaanse zon op een golfbaan kunnen lopen in plaats van in de file te staan.

Onzin natuurlijk. Het is best leuk in die zon. Een week. Een maand. Een paar maanden, maar een keer komt de vraag: waartoe dient dit? Ja, sommigen zijn bevoorrecht met hun belangstelling en hobby's en zij zullen genieten van de tijd die zij daaraan kunnen besteden. Maar ik ontkom niet aan de indruk dat verveling en een gebrek aan levenszin een snel groeiende grijze – beter: zilveren, want zeer fitte – groep bedreigt.

Het probleem begint bij Bismarck. De eerste kanselier van Duitsland introduceerde in 1889 de eerste oudedagsvoorziening namens een nationale overheid. Aanvankelijk stelde Bismarck de `pensioengerechtigde leeftijd' op 70 jaar. In 1916, na zijn dood, verlaagde de Duitse regering die leeftijd naar 65. En sindsdien geldt die leeftijd als een onaantastbare verworvenheid in de meeste landen van het Westen.

Maar de omstandigheden waarin Bismarck tot zijn voorstel kwam, verschillen dramatisch van de huidige omstandigheden in de moderne samenleving. Allereerst bereikten de meeste mensen aan het einde van de 19de eeuw de pensioenleeftijd van Bismarck niet eens. Het was een maatregel gericht op een kleine groep ouderen. Bovendien werd het sociale beleid van Bismarck ingegeven door een economisch inzicht: in de fabrieken bleken de ouderen minder productief en daarmee stonden zij de Duitse vooruitgang in de weg.

Bismarck zou vandaag de pensioenleeftijd nooit op 65 hebben gesteld. Mogelijk op 75, misschien zelfs hoger. Door de veranderende omstandigheden op de arbeidsmarkt staat het heilige getal 65 tegenwoordig dan ook ter discussie. Maar dat is te vaak een discussie over `moeten blijven werken' en `het recht op vrije tijd'. Ik mis in dat gesprek aandacht voor het feit dat veel mensen het moment van hun pensioen ervaren als een moment waarop zij worden afgedankt. Dat die mensen graag een bijdrage blijven leveren en graag ergens bij betrokken blijven. Iets dat verder gaat dan een golfbaan of een zonnig strand, iets dat hun leven zin geeft. Iets waarover Charlie Watts en zijn makkers van de Stones, als zij opstaan, nooit hoeven na te denken. Het gaat – vreemd genoeg – ook over: mogen en willen werken.

Als het over rechten gaat, lijkt het mij het recht van iedereen om tot de laatste dag het gevoel te hebben dat haar of zijn leven betekenis heeft. Dat recht vraagt om een ander gesprek over het vraagstuk van de vergrijzing. Het vraagt ook om het verbieden van die misleidende reclames van de verzekeraars.

Als ik in de komende maanden een keer in een stadion een concert van de Rolling Stones of Paul McCartney bijwoon, zal ik dat vooral ook doen met groot respect voor hun voorbeeld dat je op elke leeftijd een waardevolle bijdrage aan de samenleving kunt leveren.

Jurriaan Kamp is hoofdredacteur van het opinietijdschrift Ode.

    • Jurriaan Kamp