Matroosjes

Op de hoek van de Korte en Lange Vijverberg stonden we de dingen af te wachten die in Den Haag op prinsjesdag onherroepelijk gaan gebeuren. Waarom hecht de Nederlander eraan? Omdat het knus, gezellig en Nederlands is, daarom.

Ik had me nogal laat in de rijen gevoegd, maar voelde me meteen thuis toen een groep mannen van voorbij de zestig, uitgedost als zeeverkenner, luidkeels in het lied My Bonnie is over the ocean uitbarstte. Ik weet nu wat me te doen staat als ik ooit de pensioengerechtigde leeftijd bereik: een blauwe broek aanschaffen, een wit koord om het middel gesnoerd, een zeemansbaard of walrusknevel laten groeien en met vijftig leeftijdgenoten op prinsjesdag midden op straat brullen: ,,Bring back, bring back my Bonnie to me.''

De mannen leidden bijna de aandacht af van een minstens zo interessant verschijnsel: de feminisering van ons leger. In afwachting van de koninklijke processie vormde een aantal marinemensen op deze plek een fiere erewacht. Matrozen, maar ook opvallend veel matrozinnetjes.

Het lijkt gemakkelijker dan het is, zo'n erewacht vormen. De zon schijnt pal op je kruin, je moet kaarsrecht blijven staan en soms een minuut of tien je geweer met twee steeds lammer wordende armen voor je borst houden. Samen in een onderzeeër, dat lijkt me veel leuker voor onze matroosjes.

Maar het ergste is het groepje officieren – allemaal mannen – dat even verderop vanuit de weldadige lommer van grote bomen toezicht houdt. Regelmatig lopen zij langs hun man- en vrouwschappen om ze diep in de ogen te kijken, enkele correcties in te peperen en steeds weer de baret van de toegesprokene op te lichten, alsof het de deksel is van een sudderend pannetje op het fornuis.

Er is altijd wát met zo'n baret. Hij trekt te veel naar één oor, hij verzakt naar het voorhoofd of het bandje onder de kin zit te slap. Vooral bij de matrozinnetjes moest er veel gecorrigeerd worden – maar ik weet niet of dat alleen aan hun baretten lag.

Een uur lang in de brandende zon met al die frunnikende, ouwe kerels aan je kop – was het vreemd dat sommige matrozinnetjes het te kwaad kregen? Ik hield vooral mijn hart vast voor het donkere meisje tegenover me, dat steeds de grip op haar geweer dreigde te verliezen, maar zich telkens op het laatste moment herstelde. Het was alsof ze bevend in een brandend huis stond, haar kind tegen de borst gedrukt. Zou ze het redden tot de gouden koets voorbij was?

Gelukkig wel. Maar tegenover haar bleef een meisje bezwijmd aan de grond genageld staan, toen alle koetsen voorbij waren. Kapót. Ze kon geen vezel meer verroeren. Enkele officieren snelden verrukt toe om haar van haar geweer te bevrijden. Flessen water werden in haar gegoten, voordat ze voetje voor voetje uit de gelederen verwijderd kon worden.

Zou ze nog iets van de koningin en haar familieleden hebben gezien? Vermoedelijk niet, maar dát had ze dan gemeen met ons, eenvoudige stervelingen in deze bocht van de weg. Het zonnetje scheen zó uitbundig in de ramen van alle koetsen dat we alleen onszelf weerspiegeld zagen. ,,Verrek, ik zie geen flikker'', riep iemand uit Zuid-Limburg.

Maar het bleef een schitterende prinsjesdag.

    • Frits Abrahams