Brussel mag terreurgeld blokkeren

De Europese Unie mag tegoeden bevriezen van particulieren en groeperingen die op de terroristenlijst van de Verenigde Naties staan. Dat heeft het Europees Hof van Justitie vanmorgen bepaald.

Het Hof baseert zijn uitspraak onder andere op resoluties van de Verenigde Naties over internationale terreurbestrijding. De Europese Unie is geen lid van de VN, maar zij is volgens het Europees Hof wel gebonden aan het VN-verdrag. De naleving daarvan heeft voorrang boven Europees recht en deze voorrang strekt zich ook uit tot de besluiten van de VN-Veiligheidsraad, aldus het Hof. Het is voor het eerst dat de Luxemburgse rechters deze rangorde vaststellen.

De terroristenlijst werd opgesteld na de aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten. De Veiligheidsraad nam daarover toen verschillende resoluties aan, die onder andere betrekking hebben op de Talibaan, Osama bin Laden en diens Al-Qaedanetwerk. Particulieren en groeperingen die op de lijst voorkomen riskeren financiële en economische sancties.

In Europa namen de EU-landen de VN-lijst gezamenlijk over. Daartegen tekenden verschillende personen en organisaties die op de lijst staan bezwaar aan bij het Europees Hof. Vanmorgen deed het uitspraak in de eerste zaken, van respectievelijk Ahmed Ali Yusuf, Al Barakaat International Foundation (ABIF) en Yassin Abdullah Kadi. Volgens hen is de EU niet bevoegd om sancties, zoals bevriezing van tegoeden, op te leggen in het kader van de bestrijding van het internationale terrorisme. Bovendien zou de EU door overname van de VN-lijst fundamentele mensenrechten schenden, omdat het niet mogelijk is opname op de lijst bij de rechter aan te vechten.

Het Gerecht van eerste aanleg, de lagere rechtbank van het Europees Hof van Justitie, verwierp vanmorgen beide bezwaren. De bevoegdheid van de EU is volgens de Luxemburgse rechters niet in het geding, omdat VN-resoluties zwaarder wegen dan Europees recht. En het grondrecht op toegang tot de rechter is ,,geen absoluut recht''. Het belang dat Yusuf, Kadi en ABIF hebben bij rechterlijke controle is volgens het Hof niet zó groot, dat het zwaarder weegt dan het algemene belang bij handhaving van de internationale vrede en veiligheid.