Arts verhoord door agenten die `nergens van weten'

Een commissie gaat het OM adviseren over actieve levensbeëindiging bij zieke baby's. Justitie hoopt dat artsen vaker melden. Artsen hopen dat justitie gepaste afstand houdt.

Kinderarts en hoogleraar kindergeneeskunde Pieter Sauer (Rijksuniversiteit Groningen) behandelde begin jaren negentig een veel te vroeg geboren baby. Het had een ernstige hersenbeschadiging, waardoor het kind, als het zou overleven, zwaar gehandicapt zou zijn. Sauer gaf, na overleg met artsen van andere disciplines en met toestemming van de ouders, ,,een hoeveelheid medicatie die het leven van het kind bekort zou kunnen hebben''. Het overlijden van de baby meldde hij netjes bij justitie.

Twee politieagenten hielden de kinderarts aan. Achterin een politiebus werd hij afgevoerd naar een arrestantenlokaal. Op het politiebureau werd hij twee uur lang verhoord door agenten die ,,duidelijk nergens van op de hoogte waren''. U bent in staat van beschuldiging gesteld, zeiden de politieagenten volgens Sauer, en wat hij zei kon tegen hem gebruikt worden.

Artsenvereniging KNMG en dan met name de kinderartsen hebben jarenlang gepleit voor een commissie van artsen, juristen en ethici die meldingen van actieve levensbeëindiging bij pasgeborenen inhoudelijk beoordeelt. Nu is het zover. Minister Donner (Justitie, CDA) en staatssecretaris Ross (Volksgezondheid, CDA) hebben opdracht gegeven zo'n toetsingscommissie of adviescommissie in te stellen. Leden voor de commissie zijn benaderd. Naar verwachting stemt het kabinet op korte termijn in met een nieuwe meldings- en toetsingsregeling.

Het gaat om pasgeborenen die zulke ernstige afwijkingen hebben, dat ze daardoor niet zelfstandig kunnen leven en waarbij het ernstige en aanhoudende lijden niet kan worden opgeheven. Ze hebben bijvoorbeeld een zeer ernstige vorm van blaarziekte. Na uitgebreid overleg besluiten artsen, in samenspraak met de ouders, om de behandeling te staken. De baby wordt niet meer gevoed, niet meer beademd.

Als dan blijkt dat de baby toch `ernstig en uitzichtloos' lijdend in leven blijft, kunnen artsen twee dingen doen. Ze kunnen besluiten om afwachtend toe te zien tot het kind vanzelf uit zijn lijden wordt verlost. Voor veel artsen is dit onaanvaardbaar. Ze komen dan voor de beslissing te staan met medicatie het leven van de baby opzettelijk te beëindigen. Uit een vergelijkende studie in 1997 onder 122 intensive cares in zeven Europese landen zei 47 procent van de geïnterviewde Nederlandse neonatologen ooit medicatie te hebben toegediend met het uitdrukkelijk doel het leven van een pasgeborene te beëindigen.

Het gebeurt niet vaak dat artsen voor die beslissing komen te staan. Het gebeurt nog minder vaak dat ze het melden. Actieve levensbeëindiging van een pasgeborene is juridisch gezien namelijk moord. Pasgeboren en nog ongeboren baby's zijn net als kinderen tot twaalf jaar, ernstig gehandicapten en dementerende ouderen wilsonbekwaam. Zij kunnen niet uitdrukkelijk om hun eigen dood verzoeken, een van de voorwaarden voor euthanasie.

Een arts die het leven van een pasgeborene beëindigt, is verplicht de gemeentelijk lijkschouwer te bellen, die de officier van justitie op de hoogte stelt van een `niet natuurlijke dood'. De officier van justitie besluit de arts al dan niet te vervolgen.

,,Artsen zijn de enigen in deze rechtsstaat die zichzelf bij justitie moeten aangeven. Die over alles openheid moeten geven en zo mee moeten helpen een strafdossier tegen zichzelf op te bouwen'', zegt Sauer. Hij zegt dat artsen die openheid ook wel wíllen geven, maar dat ze dan wel zeker willen weten dat de zaak medisch inhoudelijk goed wordt getoetst, door mensen die weten waar het over gaat.

Het openbaar ministerie toetst medisch-ethische zaken als deze namelijk op zorgvuldigheidseisen. Een daarvan is dat de overleden patiënt `uitzichtloos en ondraaglijk' heeft geleden. Maar om dat te toetsen moet een officier van justitie, of een rechter, toch afgaan op de deskundigheid van een medisch specialist.

Artsen vinden dat geen goede volgorde: eerst een arts oppakken, verhoren, in het ergste geval de nabestaanden verhoren, het lijk in beslag nemen, de zaak voor laten komen, en dán pas een andere arts als getuige-deskundige om inhoudelijk advies vragen. Onlangs bracht het openbaar ministerie een zaak voor van een arts die een wilsonbekwame bejaarde man opzettelijk om het leven zou hebben gebracht. Pas tijdens de rechtszaak verklaarden alle getuigen-deskundige dat het om gebruikelijk medisch handelen ging. Na twee jaar werd hij in hoger beroep vrijgesproken.

Een adviescommissie zou deze problematiek kunnen oplossen. Kinderartsen zouden zo sneller geneigd zijn dergelijke zaken te melden. De commissie wordt ingericht naar het voorbeeld van de toetsingscommissies euthanasie die voor de Euthanasiewet het openbaar ministerie eveneens van advies voorzag. Inmiddels is hun oordeel is bindend.

Dat het aantal meldingen van euthanasie nauwelijks steeg de afgelopen jaren, vindt Sauer geen argument. Hij is ervan overtuigd dat artsen euthanasie vaker melden, maar dat het door verbeterde pijnbestrijding rond het levenseinde minder vaak wordt uitgevoerd. ,,Bovendien zit het in de aard van kinderartsen dat ze openheid geven. Ze zijn gewend uitgebreid te overleggen en uitleg te geven aan ouders.''

Met de nieuwe meldings- en toetsingsregeling komt er meer zicht op de problematiek. Daardoor zullen ook nieuwe vragen opdoemen, zegt Sauer. Welke pasgeborenen wel en welke niet moeten worden gemeld bijvoorbeeld. Maar die vraag kan pas helder worden beantwoord als er meer bekend is over de manier waarop artsen en justitie tegen dit soort zaken aankijken.

Sauer werd begin jaren negentig na zijn verhoor vrijgelaten. ,,De zaak werd geseponeerd, maar daar ben ik niet van op de hoogte gesteld. Na het verhoor hoorde ik nooit meer iets van justitie.''

    • Esther Rosenberg