`Topstukken' weinig verrassend

Na een verbouwing van bijna een jaar is het Haags Historisch Museum begin deze maand officieel heropend. In de zalen van het statige, geheel gerenoveerde pand van de voormalige Sebastiaansdoelen aan de Korte Vijverberg, wordt de komende jaren een selectie getoond uit de afdeling Nederlandse geschiedenis van het Amsterdamse Rijksmuseum. Zo'n tweehonderd schilderijen, beelden, gebruiksvoorwerpen laten iets zien van de geschiedenis van Nederland, vanaf de opstand tegen het Spaanse gezag in de tweede helft van de zestiende eeuw, via de instelling van de Republiek en de culturele bloeitijd van de Gouden Eeuw, de Bataafse en Franse tijd, tot het moderne Nederland van de twintigste eeuw.

Beroemde objecten zijn er te zien, die een plaats hebben gekregen in het nationale geheugen. Zo is er de wandelstok waarvan wordt aangenomen dat landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt erop steunde toen hij in 1619 het schavot betrad om te worden geëxecuteerd – hardnekkig door iedereen `stokske van Oldenbarnevelt' genoemd omdat Joost van den Vondel over de terechtstelling een gedicht schreef met die titel. Maar ook andere helden worden geëerd: de zeventiende-eeuwse `stedendwinger' Frederik Hendrik bijvoorbeeld, te paard geportretteerd op het schild van een reuzenschildpad, of Piet Hein, vertegenwoordigd door een manshoge beschilderde terracotta buste, en een Mexicaanse zilveren kan die deel uitmaakte van de zilvervloot die de admiraal in 1628 bij Cuba op de Spanjaarden buitmaakte. Een reliek van heel andere aard is het bureau van Willem Drees, premier van het naoorlogse Nederland.

De keuze voor een presentatie van topstukken heeft nadelen. In andere `satellietmusea' die voor de duur van de renovatie van de Rijksmuseum delen van de collectie van het Rijksmuseum herbergen, zijn soms verrassende en onbekende depotstukken te zien. De Amsterdamse bruiklenen in Den Haag zijn fraai, belangrijk of op zijn minst illustratief, maar als geheel is het een nogal hapsnap overkomende presentatie die weinig verrassingen in zich bergt voor wie al bekend was met de afdeling in het Rijksmuseum, die bovendien veel omvangrijker en completer was. De zestiende en zeventiende eeuw zijn in Den Haag behoorlijk goed vertegenwoordigd met voorwerpen die verwijzen naar de politieke geschiedenis, de expansie van de Republiek en de culturele bloei in die periode, maar de achttiende eeuw komt er in het algemeen bekaaid vanaf, de negentiende lijkt een tijd van louter mijmeren over het rijke verleden en de twintigste moet het doen met niet veel meer dan een paar filmpjes.

De nadruk op de eerste eeuwen van de Nederlandse geschiedenis laat zich wellicht verklaren door de belangrijke rol die de stad Den Haag daar in die tijd in speelde. Door het opstellen van voorwerpen uit de eigen collectie heeft het Haagse museum daarop in de presentatie accenten gelegd. De twee gezichten op de Hofvijver en het Binnenhof van de hand een anonieme zeventiende-eeuwse meester kunnen wat dit betreft weinig vreugde teweeg brengen, maar een doos waarin seculiere relieken worden bewaard van de gebroeders De Witt oefent een luguber soort aantrekkingkracht uit. In het kistje zitten de tong van Johan en een teen van Cornelis. De broers, vooraanstaande regenten die ervan werden beschuldigd de Republiek in oorlog te hebben gestort en een moordaanslag op prins Willem III van Oranje te hebben beraamd, werden in 1672 door een woedende menigte vermoord. Hun bebloede kleding en afgesneden lichaamsdelen werden ter plekke verkocht. Die geschiedenis gaat leven als je na het bezoek aan het Haags Historisch Museum even om de Hofvijver heenloopt naar de Gevangenpoort, waar de lynchpartij plaatsvond.

Tentoonstelling: Rijksmuseum aan de Hofvijver; topstukken van de vaderlandse geschiedenis. Haags Historisch Museum. T/m december 2007. Inl.: 070-3646940.

    • Bram de Klerck