Rustig wachten tot na de bui

De Nederlandse regering wil verder met Europa. Maar hoe? De kiezers hebben zich uitgesproken tegen de Europese Grondwet, maar het kabinet legt zich daar niet bij neer.

De Staat van de Unie, het jaarlijkse prinsjesdagstuk waarin de regering vertelt wat de plannen met Europa zijn, werd dit jaar met enige spanning afgewacht. Want hoe moet het verder, nu de Nederlandse kiezer in een referendum een duidelijk `nee' heeft uitgesproken tegen de nieuwe Europese Grondwet, de Tweede Kamer én het kabinet hebben laten weten de uitslag van het consultatief referendum over te nemen en de ratificatieprocedure in Nederland is opgeschort?

Wie van de Staat van de Unie de schildering van een plan-B – hoe verder in Europa zonder de nieuwe Grondwet en volgens de huidige regels van het verdrag van Nice – had verwacht, komt bedrogen uit. De houding van de Nederlandse regering lijkt in belangrijke mate bepaald door de besluiten van de Europese top eerder dit jaar, die na het `nee' in Nederland en Frankrijk besloten had een ,,bezinningsperiode'' van een jaar in te lassen.

Wat er na dat jaar moet gebeuren, weet nog niemand. Herstemming in Frankrijk en Nederland, wanneer deze landen als enige de invoering van de Europese Grondwet zouden blokkeren? Een nieuwe ronde ratificaties van een andere, licht of zwaar gewijzigde tekst? Of iets heel anders?

De Nederlandse regering zou zich op het standpunt kunnen stellen: de Nederlandse kiezer heeft (net als de Franse) de Grondwet verworpen, dus deze wet kan, omdat álle landen van de EU hem moeten ratificeren voordat hij in werking treedt, niet worden ingevoerd. Twee landen even aangenomen dat in alle andere landen van de EU de ratificatie geen problemen oplevert blokkeren dan de invoering van de nieuwe Grondwet.

Maar met zo'n vetoachtig mandaat laat het kabinet-Balkenende zich in Europa niet op pad sturen, blijkt uit de Staat van de Unie. Sprekend over de Europese raad van juni 2006, die nadere besluiten zou moeten nemen over de toekomst van de Grondwet, heet het letterlijk: ,,Wat de uitkomst van dat overleg zal zijn, is nu nog niet te overzien. De vraag hoe om te gaan met een verdrag dat in een groot deel van de lidstaten wél en in andere lidstaten niet is geratificeerd is evenwel onvermijdelijk, ook voor Nederland. De regering komt in een later stadium separaat terug op het grondwettelijk verdrag.''

Er staat natuurlijk niet: als de gemoederen van de kiezers zijn bedaard na een referendum waarom wij als kabinet niet hadden gevraagd, gaan we gewoon verder met de ratificatieprocedure in Nederland; iets waartoe we het formele recht hebben, want het referendum was niet bindend. Maar wat er wel staat klinkt in ieder geval heel wat minder stellig dan de, na enige druk van de Tweede Kamer, gedane verzekering van premier Balkenende dat de Europese Grondwet wat Nederland betreft van tafel was.

In ieder geval, zo blijkt, wil de regering zichzelf in Europees verband een zo groot mogelijke onderhandelingsruimte gunnen. Het belang daarvan wordt, meer nog dan in de Staat van de Unie, verwoord in de begroting van Buitenlandse Zaken. Minister Bot (Buitenlandse Zaken, CDA) heeft meer dan eens laten weten weinig te zien in het referendum, en nog minder in de uitslag. Nederland wil in Europa ,,een betrouwbare en solidaire partner blijven'', heet het in dit stuk maar liefst tweemaal en op een toon alsof daarover na het `nee' twijfel zou kunnen rijzen.

De praktische conclusies die de regering verbindt aan het `nee' mogen dan enigszins mistig blijven er is geen twijfel dat de regering dat `nee' wel in zekere zin zichzelf verwijt. ,,Binnenlandse en buitenlandse politiek liggen direct in elkaars verlengde'', aldus de begroting Buitenlandse Zaken. ,,Om in internationaal verband haar verantwoordelijkheden te kunnen nemen, moet de Nederlandse overheid daarom blijven zorgen voor draagvlak.''

Hoe zou het dan komen dat het ten tijde van het referendum zo duidelijk aan draagvlak voor de Europese Grondwet ontbrak? De al voor het referendum door de ministers Bot en Brinkhorst (Economische Zaken, D66) vertolkte stelling dat een referendum over de Europese Grondwet niet over de Europese Grondwet zou gaan, wordt in de Staat van de Unie impliciet overgenomen: nergens staat tenminste dat het `nee' kan zijn ingegeven door bezwaren tegen het document waarover de kiezer zich kon uitspreken.

In plaats daarvan gaat de Staat van de Unie in op de ,,achterliggende oorzaken'', die ,,meervoudig'' zouden zijn: ,,het `nee' is niet tot één overduidelijke reden te herleiden''. Dankzij een als bijlage bij de begroting van Buitenlandse Zaken gevoegd onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau weet de regering wel wat de oorzaak níét geweest is: er bestaat brede steun voor het lidmaatschap van de Europese Unie. ,,De regering concludeert dat niet de Europese samenwerking en integratie op zichzelf ter discussie staan, maar dat de tekortkomingen in belangrijke mate schuilen in de wijze waarop de Nederlandse burgers zijn betrokken bij de totstandkoming van het beleid en de regelgeving van de Europese Unie hetgeen heeft bijgedragen aan de kritiek die bestaat op de invulling van deze samenwerking en integratie.''

De betrokkenheid van de burger bij Europese besluitvorming is ,,sterk achtergebleven vergeleken bij nationale politieke processen'', zo stelt de Staat van de Unie. Ooit was dezelfde constatering voor PvdA, GroenLinks en D66 overigens het motief om het referendum te organiseren. ,,In breder kader'', meent de regering verder, is deze tekortkoming ,,een symptoom van de onvrede die in Nederland in het algemeen over de bestuurscultuur lijkt te bestaan.'' Desondanks wil de regering ,,zich zeer inspannen om de ontwikkelingen op het Europese terrein beter te integreren in het nationale politieke proces''.

Wat betekent dat in de praktijk? Geen radicale omslag in het Nederlandse Europa-beleid, zo blijkt uit de Staat van de Unie. Nederland streeft naar aanpassing van de Europese begroting, waarin nieuwe activiteiten van de Unie moeten worden gefinancierd uit het afstoten van oude, en er bovendien een eind moet komen aan de ,,uitzonderlijk nadelige Nederlandse betalingspositie'' ten aanzien van Europa. Nederland wil dat in Europa de `subsidiariteitsvraag' nadrukkelijker aan de orde komt. Dat betreft de regel dat Europese regelgeving geen betrekking moet hebben op zaken die net zo goed of beter op nationaal niveau geregeld kunnen worden. Op andere punten is voorzichtigheid troef in de Staat van de Unie. Ten aanzien van de gewenste omvang van de Unie, bijvoorbeeld, blijft de problematiek rond Turkije onbesproken.

De belangrijkste noviteit in het Nederlandse Europa-beleid is aldus een binnenlandse, retorische: de brede maatschappelijke discussie, waarin de gewenste betrokkenheid van de burger bij de Europese besluitvorming in eerste instantie vorm moet krijgen. Hoe deze discussie – inmiddels herdoopt tot Nationale Europa Discussie – precies vorm krijgt, is nog onduidelijk in de juist gisteren verschenen gezamenlijke opzet van kabinet en Tweede Kamer. De bedoeling is in ieder geval dat burgers en maatschappelijke organisaties over alles ten aanzien van Europa mogen discussiëren.

Dit instrument is niet onomstreden. De VVD-fractie in de Tweede Kamer heeft al laten weten mogelijk niet aan de mede door het `eigen' kabinet bedachte discussie deel te nemen. Zij meent dat er een kans is dat de vage opzet wordt gekaapt door tegenstanders van Europa, zoals dat ook in zekere zin met het referendum is gebeurd. De Staat van de Unie is duidelijk over het tijdstip waarop de discussies beëindigd moeten zijn en de conclusies moeten worden geformuleerd: begin juni 2006, op tijd voor de Europese top waar over de toekomst van de Europese Grondwet moet worden beslist.

En zo wijst alles er op dat over de plaats van Nederland in Europa niet in de Tweede Kamer wordt beslist. Dat gebeurt straks, binnen de kaders en mogelijkheden van de Europese onderhandelingsdiplomatie.

    • Raymond van den Boogaard