Peilingen verliezen voorspellende waarde

De opiniepeilers hadden het weer fout gedaan. De overwinning van Angela Merkel en de haren was, anders dan door velen verwacht, een nipte. Het einde van de peilingen? Nee, zeker niet. Alleen moet er anders naar peilingen worden gekeken, meent Joop van Holsteyn.

Nog voordat de definitieve uitslag bekend was, kregen de Duitse opiniepeilers er op zondagavond al fors van langs. De Bondsdagverkiezingen bleken veel spannender dan op basis van de peilingen kon worden verwacht.

De verwachte ruime overwinning van CDU/CSU op de SPD bleef uit. Na een ware nek-aan-nekrace en een electorale fotofinish was er weliswaar sprake van een overwinning, maar met een beduidend kleinere marge dan waarop op basis van de voorgaande opiniepeilingen zou mogen worden gerekend.

De peilingen zaten er dus weer eens hopeloos naast, concludeerden politici en andere commentatoren in hun eerste reactie op de onverwachte uitkomst. Die conclusie ligt voor de hand, maar is om die simpele reden nog niet correct.

Of de peilingen ernaast zaten, hangt namelijk in hoge mate af van de vraag wat peilingen eigenlijk precies zijn en doen. Zijn peilingen voorspellingen, of gaat het veeleer om een momentopname op de dag van ondervraging?

Opiniepeilers zelf zijn dubbel in hun antwoord op deze vraag. Als de uitslag conform hun eigen peilingen is, koesteren zij zich maar wat graag in hun rol als politieke zieners. Precies zoals wij hebben gezegd, is dan de zelfvoldane pose. Als daarentegen de uitslag, zoals zondag in Duitsland en bijvoorbeeld in 1986 in Nederland – toen het weekblad De Tijd net een dag te vroeg een omslagartikel had onder de titel `Wat er misging met het CDA', terwijl de christen-democraten onder aanvoering van Ruud Lubbers een historische overwinning boekten – heel anders blijkt te zijn, dan hipt men vlug op het andere been. Dan wordt plots beweerd dat peilingen geen voorspellingen zijn maar momentopnamen, slechts tussenstanden in een wedstrijd die pas op de verkiezingsdag wordt gespeeld en beslist. Dan is ineens bescheidenheid het kenmerk van de ware opiniepeiler.

Het probleem voor peilers is dat er langzaam maar zeker een steeds grotere discrepantie ontstaat tussen peilingen als momentopname en de peilingen als voorspelling. In een situatie waarin de overgrote meerderheid van de kiezers tevoren weet wat de partijkeuze zal worden en die keuze vervolgens ook trouw is, kan op basis van een momentopname relatief eenvoudig een aardige voorspelling worden gedaan. Peilingen zijn dan momentopname en basis voor voorspelling ineen.

Van een dergelijke situatie is echter, in Duitsland, Nederland en tal van andere landen, steeds minder sprake. Gegevens voor Duitsland ontbreken nog, maar in Nederland maken kiezers niet alleen steeds vaker op een heel laat moment hun uiteindelijke keuze, maar is die keuze er ook nog eens eentje uit een set van steeds meer politieke partijen.

Dat maakt het er voor opiniepeilers die pretenderen te voorspellen niet eenvoudiger op: in het resultaat van de momentopname weken voor de verkiezingen is de gegroeide onzekerheid ten aanzien van de uitkomst onvoldoende zichtbaar en verdisconteerd. De momentopname is niet meer dan dat, en daarmee een uiterst wankele basis voor uitspraken over een resultaat weken of dagen later.

Nog een tweede factor zorgt ervoor dat peilingen steeds minder goede voorspellers zijn. Dat heeft paradoxaal genoeg met de redelijke kwaliteit en betrouwbaarheid van die peilingen zelf te maken. De peilingen leveren namelijk informatie die voor de kiezer relevant en nuttig kan zijn.

Die kiezer, die minder dan in het verleden vastgebakken zit aan een enkele politieke partij, gebruikt de gegevens van de peilingen op instrumentele, strategische wijze. De kiezer heeft op basis van de peilingen een indruk van de krachtsverhoudingen, bepaalt voor zichzelf of dat een wenselijke eindsituatie in termen van regeermacht zou zijn, en bepaalt vervolgens mede op basis van die informatie zijn partijkeuze. Het is deze strategische kiezer, die laat beslist en met het oog op de regeringssamenstelling kan stemmen op een partij die strikt genomen niet zijn voorkeur heeft, die zand in de machine van de opiniepeilers als voorspellers gooit.

Dat moet haast wel een rol hebben gespeeld in Duitsland, in een verkiezing waarin de machtsvraag meer dan ooit centraal leek te staan. Peilingen geven een indruk van krachtsverhoudingen, doen een bepaalde verkiezingsuitslag vermoeden – en hebben bij een deel der kiezers juist tot gevolg dat alles in het werk wordt gesteld om die aanstaande werkelijkheid te voorkomen. Het zijn strategische kiezers die, omdat zij een tussenstand niet als eindstand wensen te accepteren, mede leiden tot de ondergang van de opiniepeilers als politieke orakels.

In de mogelijkheid die peilingen bieden om strategisch te stemmen ligt trouwens ook de kracht en waarde van de peilingen. The Observer organiseerde in 1997 een peiling puur om de tussenstand aan Britse kiezers te kunnen tonen. Dan konden zij die informatie, die bij onafhankelijke, professionele onderzoekbureaus in zekere zin belangeloos en niet politiek gekleurd is, gebruiken om hun uiteindelijke keuze te bepalen.

De roep om peilingen, of in ieder geval de publicatie ervan, maar te verbieden in de aanloop van verkiezingen, zal vast weer her en der klinken. Ze deugen immers toch niet. Ze deugen wellicht minder en minder als voorspellingen.

Maar dat laat onverlet dat zij kunnen kloppen als momentopnamen, als zinvolle opeenvolgende tussenstanden waarop het electoraat kan, mag en steeds vaker ook wenst te reageren. Met behulp van de peilingen kan dat electoraat aldus zorgen voor een spannende politieke strijd, die, geheel in Duitse stijl, pas in de allerlaatste minuut beslist wordt.

Prof.dr. Joop van Holsteyn is universitair hoofddocent en bijzonder hoogleraar Kiezersonderzoek aan de Universiteit Leiden en momenteel als fellow werkzaam aan het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences (NIAS) in Wassenaar.

    • Joop van Holsteyn