`Onderzoekskwaliteit is in het geding'

De overheid betaalt driekwart van de kosten van Topinstituut Pharma. Hoogleraar Medema vreest dat de industrie het onderzoek gaat dicteren.

,,Het resultaat van een rondje winkelen bij de farmaceutische industrie'', dat zegt hoogleraar experimentele oncologie prof. René Medema over het nieuw op te richten Topinstituut Pharma, waarin farmaceutische bedrijven en universiteiten gaan samenwerken voor de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen.

Het Topinstituut Pharma, een maand geleden aangekondigd door minister Hoogervorst (Volksgezondheid) moet al op 1 januari 2006 van start gaan met een begroting van 260 miljoen euro voor de komende vier jaar. De overheid draagt driekwart van de kosten: 130 miljoen uit aardgasbaten en 65 miljoen via de universiteiten. De rest van het geld komt van farmaceutische bedrijven. Het nieuwe `technologisch topinstituut' is in Nederland het vijfde dat volgens deze publiek-private constructie is opgezet en wordt van die vijf veruit het grootste. Tien farmaceutische bedrijven en zeven universiteiten hebben zich als investeerder gemeld.

Het instituut gaat zich bezighouden met `translationeel onderzoek': de overgang tussen het laboratorium en de eerste studies bij patiënten.

Kanker wordt, naast onder andere hart- en vaatziekten en astma, een belangrijk onderwerp. Toch leverde Medema gisteren, in zijn entreerede als hoogleraar aan het Utrechtse universitair medisch centrum, kritiek op de opzet van het Topinstituut. Zijn grootste bezwaar: voor onderzoekskwaliteit is te weinig aandacht.

Moet het instituut er komen?

,,Ik vind dat Nederland zo'n instituut in principe heel goed kan gebruiken, want er zijn de laatste tijd veel nieuwe analysetechnieken gekomen om aanknopingspunten te zoeken voor de ontwikkeling van medicijnen. Maar ik vind dat er te veel gekeken wordt vanuit economisch belang. Zo van: geef die farmaceutische industrie een impuls. Dat zal wel lukken, want het grootste deel van het geld komt van de overheid. Maar wetenschappelijke kwaliteit is minstens zo belangrijk.

,,Vragen die te weinig gesteld worden, zijn: wat voor onderzoek willen we doen? Waar liggen de beste kansen? Normaal moet je als wetenschapper een aanvraag doen bij NWO (overheidsorganisatie die onderzoek financiert, red.), dat dan de beste voorstellen honoreert. Ik denk dat dat in zo'n instituut niet zal gebeuren, want de onderzoekssubsidie ligt vast. En hoewel bedrijven maar 25 procent van het geld leveren, hebben ze wel een meerderheidsbelang in het bestuur. ''

Wat is de consequentie?

,,Ik denk dat dit ertoe leidt dat er onderzoek gedaan wordt waarin bedrijven geïnteresseerd zijn. Er wordt te veel gekeken naar projecten waarvan vooraf duidelijk is dat ze een geneesmiddel opleveren. Voor onderzoekers die met de farmacie samenwerken, betekent dit dat ze steeds vaker aan korte-termijndoelen moeten werken. Het wordt moeilijk om een continue stroom van nieuwe ideeën op gang te houden, waarvan het nut nog niet aangetoond is. Natuurlijk, we hebben in Nederland blijkbaar het probleem dat we ons onderzoek te weinig te gelde maken, maar er moet wel een goede mix zijn tussen translationeel en fundamenteel onderzoek.

,,Als ik met mijn onderzoeksgroep wat ruimer in m'n jasje zou zitten, dan zou ik ook vaker kunnen zeggen: `Dit is een resultaat dat geld op kan leveren, daar ga ik nog even mee verder.' Dan komt die samenwerking met de industrie er vanzelf.''