Limburg halveert archeologisch werk

Gedeputeerde Staten van Limburg wil het aantal archeologische opgravingen in de provincie met zestig procent terugbrengen. Volgens gedeputeerde Ger Driessen (CDA) waren te weinig opgravingen succesvol de afgelopen jaren. Bij 335 van de 700 opgravingen in de afgelopen tien jaar werden geen objecten van waarde aangetroffen.

De verplichting tot archeologische onderzoek bij bouwprojecten zorgde volgens Driessen voor ,,frustraties en boze reacties'' bij aannemers, particulieren en gemeentes. Volgens de regels moeten bouwers het onderzoek betalen, kosten die gemiddeld 5000 euro bedragen. ,,Door beter vooronderzoek willen we ervoor zorgen dat er minder hoeft te worden gegraven.''

Er is 200.000 euro beschikbaar voor gemeentes om snel in kaart te brengen waar zich interessante vindplaatsen bevinden. Archeologen moeten keuzes maken en niet graven naar objecten uit een periode waar al veel over bekend is. ,,Je hoeft niet steeds dezelfde scherf op te graven'', aldus Driessen. Een nieuwe bepaling is dat er geen archeologisch onderzoek hoeft te worden verricht op stukken grond kleiner dan een kwart hectare en waarvan niet bekend is dat er objecten van belang in de grond zitten.

Als uit vooronderzoek blijkt dat ergens archeologisch waardevol materiaal zich in de grond bevindt, wil Gedeputeerde Staten vaker besluiten het te laten zitten. Driessen: ,,Archeologie is meer dan opgraven. Het is ook behouden.''

In 1992 sloten de meeste Europese landen het verdrag van Malta om vernietiging van archeologische bodemschatten tegen te gaan. De Tweede Kamer ratificeerde dat verdrag in 1998, en dit najaar reageert de staatssecretaris van Cultuur op amendementen die zijn ingediend op een conceptwettekst, een aanpassing van de Monumentenwet 1988. Dan moet duidelijk worden wie verantwoordelijk is voor bodemschatten.