Justitiële crisis

Het gedraai van justitie in de zaak van de Schiedammer parkmoord is een teken dat het goed mis is met de rechtspleging.

De rechter zit klem tussen waarheidsvinding en het piepsysteem.

Onlangs daagde de officier van justitie in Rotterdam een profvoetballer voor de strafrechter. De man had met een wilde sliding het been van een tegenstander verbrijzeld. De verdachte protesteerde dat hij er echt niet op uit was geweest de ander het ziekenhuis in te schoppen. Dat mocht niet baten. Hij werd veroordeeld op basis van ,,voorwaardelijk opzet'': het welbewust nemen van een groot risico. En dat is net zo goed strafbaar als boos opzet.

Leden van het openbaar ministerie houden dit dagelijks in de rechtszaal voor aan verdachten. Maar als het om henzelf gaat spelen ze opeens verstoppertje. Dat maakt de afhandeling van de gerechtelijke dwaling in de zaak van de Schiedammer parkmoord extra ergerlijk. Er zijn fouten gemaakt, een bewust handelen, maar niet opzettelijk, zo valt in alle toonaarden te beluisteren. Alsof er geen voorwaardelijk opzet bestaat. Een gewone verdachte komt niet weg met dit soort gedraai. Het roept ernstige twijfels op of het OM de les van Schiedam werkelijk ter harte neemt.

Door de onderzoekscommissie blijvend te maken, erkent de verantwoordelijke minister Donner (Justitie, CDA) dat er wel eens iets meer aan de hand kan zijn dan een betreurenswaardig incident. Hij kan dat als geen ander weten, want in 1994 legde hij als voorzitter van een adviescommissie de basis voor een stroomlijning van het OM die wel ten koste moest gaan van het `magistratelijk' gehalte van dit orgaan. De leden van het OM leggen nog steeds, net als rechters, een eed van `onzijdigheid' af, maar ze zijn zich steeds meer gaan gedragen als ordinaire crime-fighters. Het OM blijkt dan ook slecht bestand tegen de publieke en politieke druk om te `scoren', zoals al in 1996 bleek in een parlementaire enquête onder leiding van wijlen Maarten van Traa over ongeregelde opsporingsmethoden.

De eindverantwoordelijkheid in strafzaken ligt echter bij de rechter. Om staatkundige redenen bleef deze in de enquête-Van Traa wat buiten beeld, hoewel er wel degelijk aanleiding was om ook met hen eens een hartig woordje te wisselen. De rechter speelde ,,te vaak een passieve rol bij de beoordeling'' van de wildwestmethoden die de commissie aan de kaak stelde.

In de zaak van de Schiedammer parkmoord hebben de betrokken rechters nu een unieke `zelfreflectie' georganiseerd. De details kunnen niet bekend worden gemaakt wegens het geheim van de raadkamer (de vertrouwelijkheid van rechterlijke beraadslagingen). Duidelijk is wel dat volgens de rechters meer ernst moet worden gemaakt met `de waarheidsvinding'. Dat haalt je de koekoek. Het strafproces onderscheidt zich juist van andere (civiele) zaken doordat het niet gaat om een formele waarheid tussen de procespartijen, maar om de materiële waarheid. Als dat de les van Schiedam is, dan is er iets goed mis.

Het strafproces onderscheidt zich ook van een burgerlijk proces, doordat de rechter niet `lijdelijk' (afwachtend) is, maar daadwerkelijk de leiding heeft van het onderzoek ter terechtzitting. Volgens het boekje wordt de strafzitting beheerst door het beginsel van `onmiddellijkheid': er mag alleen recht worden gedaan op materiaal dat op de openbare zitting is behandeld. In werkelijkheid is het Nederlandse strafproces vrijwel geheel op schrift geraakt. Het dossier staat centraal in de rechtszaal in plaats van eigen onderzoek.

De Nederlandse rechter ziet bovendien de strafrechtspleging in de eerste plaats als een manier om het gedrag van de verdachte te onderzoeken en te beoordelen. Het controleren van de opsporing komt pas op de tweede plaats. Toch is policing the police een kernopgave van het recht. Maar ,,de Hoge Raad maakt het de vervolgende autoriteiten niet moeilijk'', zoals een expert losjes noteerde in het vakblad Delikt en Delinkwent. De advocaten die tegenwicht moeten bieden, klagen over allerlei beperkingen. Zij hebben bijvoorbeeld geen toegang tot politieverhoren, hoewel dat in andere landen heel gewoon is en helemaal niet zo bezwaarlijk voor de opsporing blijkt te zijn als hier graag wordt beweerd. Het is in elk geval onverklaarbaar waarom belangrijke politieverhoren niet op video worden vastgelegd.

Advocaten hebben geen eigen toegang tot het Nederlands Forensisch Instituut om tegenonderzoek te laten doen, zei de strafpleiter Spong onlangs op de televisie. Advocaten worden vaak beperkt in de getuigen of deskundigen die zij ter zitting kunnen oproepen. Toch hanteert de Hoge Raad, die de eindcontrole heeft, een `piepsysteem' waarbij de rechter de bezwaren van de raadsman afwacht in plaats van zelf naar de zwakke plekken in een zaak te zoeken.

De rechtspraak is echter in de greep van het zogeheten `integraal management', waarin men graag spreekt van het `strafrechtelijk bedrijf'. Daarin staat de `doorlooptijd' van een zaak centraal, niet de kwaliteitsbewaking van de rechtszitting. De zaak van de Schiedammer parkmoord is het symptoom van een volwassen justitiële crisis.

Frank Kuitenbrouwer is medewerker van NRC Handelsblad.

kuitenbrouwer@nrc.nl