Hervormers zijn het, maar zonder glorie

De daadkracht van het kabinet-Balkenende II kwam voor burgers vooral in de vorm van bezuinigingen. Nu gloort het economisch herstel en moet de liefde worden teruggewonnen.

Naar nieuwe evenwichten. Het motto waarmee het kabinet-Balkenende II zich op 16 mei 2003 presenteerde – meedoen, meer werk, minder regels – heeft alweer afgedaan. Vanaf vandaag schaart het kabinet van CDA, VVD en D66 zich onder de mantel van `nieuwe evenwichten': een veiliger Nederland, minder regels en meer kwaliteit, meer mensen aan het werk en meer respect voor elkaar.

Het is slechts een slogan, maar deze ministersploeg is geobsedeerd door beeldvorming. In de zomer is er zelfs een `benen-op-tafel'-sessie aan gewijd in het Catshuis, de Haagse ambtswoning van de premier. Dat is veelzeggend. Dit is een kabinet van geringe interne loyaliteit en samenhang. Het is ook een kabinet waarin de stemming na de gevoelige tik op de neus door het `nee' bij het Europese referendum in mei van dit jaar danig verzuurd was.

Zoveel is zeker: de inspanningen tot verbeterde communicatie hebben het wantrouwen in de politiek en de onvrede over het beleid allerminst verminderd. Het gezag van het kabinet is gering, het leiderschap van de minister-president wordt niet alleen in twijfel getrokken door de Belgische minister van Buitenlandse Zaken of door bewindslieden die zich niets gelegen laten liggen aan afspraken over nevenfuncties. Een optocht van ministers struikelt van incident naar incident. De gretige verontwaardiging waarmee Kamerleden ministers ter verantwoording roepen, kenmerkt de dagtemperatuur van het politieke klimaat.

Het kabinet heeft het er zelf naar gemaakt. Bij zijn aantreden in 2003 sloeg Balkenende II alarm. De euforie van `paars' was verdampt, de wereld schokte na van 11 september, Nederland van de moord op Fortuyn. Na een aantal vette jaren was de economie tot stilstand gekomen. Nadat er twee jaar nauwelijks was geregeerd, beloofde het nieuwe kabinet daadkracht. Op een breed vlak werd aanpak van achterstallig onderhoud aangekondigd hervormingen van de zorgsector en het pensioenstelsel, inburgering van immigranten en bestuurlijke vernieuwing. Minister van Financiën Zalm hield de overheidsfinanciën streng onder controle omdat Nederland in 2003 de Europese regels voor het begrotingstekort schond.

Economische groei is de smeerolie voor publieke verdelingsvraagstukken. Het overheidsbeleid is gebaseerd op een gemiddelde groei van 2,25 procent per jaar, maar vanaf 2001 maakt Nederland in economisch opzicht pas op de plaats. Verwaarloosbare groei betekent dat de samenleving welvaart derft en dat de schatkist tientallen miljarden niet-gerealiseerde inkomsten misloopt. Er moest dus versoberd worden.

Twee jaar van bezuinigingen, afremming van salarisstijgingen, hogere pensioenpremies en lastenverzwaringen heeft de koopkracht van huishoudens teruggedrongen naar het niveau van 2000. Het consumentenvertrouwen is gedaald, de bestedingen stagneren en dat leidt weer tot vertraging van het economische herstel. Maar Nederland heeft weinig geduld met magere tijden. Deze zomer sloeg de stemming om: het is welletjes geweest, er is lang genoeg ingeleverd, de koopkracht moet verbeteren. En er liggen er verkiezingen in het verschiet – maart 2006 zijn de gemeenteraadsverkiezingen, een jaar later parlementsverkiezingen. Binnen de coalitie is de politieke rek verdwenen om verder te bezuinigen, de bevolking is ongedurig, de economie heeft een uitgavenimpuls nodig en het kabinet snakt naar een verbetering van het imago. De bewindslieden, zeker die van het CDA, willen niet te boek staan als koude saneerders, maar als zorgzame hervormers.

De venijnigste aanval op de ideologie van de CDA-bewindslieden in het kabinet kwam van een oudgediende. Bert de Vries, oud-minister (Sociale Zaken) en oud-fractieleider van het CDA, haalde twee weken voor prinsjesdag in zijn boek Overmoed en onbehagen (een parafrasering van Simon Schama's Overvloed en Onbehagen) uit naar het kabinetsbeleid. De Vries, die indertijd opgang maakte met de `Bert-norm' – een publieke sector die minimaal 60 procent van de economie beslaat – is een epigoon van de sociale vleugel binnen het CDA. De huidige generatie CDA-politici voelt zich daar uitermate ongemakkelijk bij. Zij zijn van mening dat het gevoerde beleid onvermijdelijk is om de demografische en economische verschuivingen die op Nederland afkomen te kunnen opvangen.

Een tastbaar bewijs dat deze veranderingen allesbehalve vrijblijvende vergezichten zijn, kwam eerder dit jaar van de burgerlijke stand. In april, zo meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), is de bevolkingsomvang in Nederland met 41 mensen afgenomen. In de daaropvolgende maanden groeide de bevolking weer, zij het met geringe aantallen, maar het was de duidelijkste aanwijzing dat Nederland, net als steeds meer Europese landen, op het punt staat een omslag te maken naar een krimpende bevolking.

Meer ouderen, minder jongeren, een smallere basis van werkenden, een groeiende groep inactieven. En een internationale omgeving die gekenmerkt wordt door de economische dynamiek van landen als China. Dit perspectief vormt de drijfveer van het kabinet voor de herschikking van maatschappelijke verantwoordelijkheden, verbreding van de arbeidsdeelname en de herwaardering van de positie van de middengroepen, in het bijzonder van gezinnen met opgroeiende kinderen.

Halverwege de regeringsperiode is het kabinet ervan overtuigd dat het op de goede weg is. Het cynisme van de burgers ten spijt is de toon van de miljoenennota over het gevoerde beleid optimistisch. En het moet gezegd: achter de politieke waan van de dag gaat een indrukwekkende agenda van institutionele hervormingen schuil. Balkenende II is in dit opzicht wel vergeleken met het `linkse' hervormingskabinet van Den Uyl in de jaren zeventig van de vorige eeuw, met het verschil dat de politieke passie van die tijd ontbreekt en daar geen andere bezieling voor in de plaats is gekomen.

Maar toch. De stelselherzieningen die dit kabinet doorvoert, zijn indrukwekkend. De fiscale subsidie op vroegtijdig pensioen is afgeschaft, VUT-regelingen bestaan straks niet meer. Na jaren van verzet heeft de vakbeweging ingestemd met een verkorting van de maximale duur van de WW van vijf jaar naar drie jaar en twee maanden. De WAO, de sociale achilleshiel van opeenvolgende kabinetten, maakt plaats voor een stelsel gebaseerd op arbeidsgeschiktheid.

Na een reeks van mislukte pogingen om het zorgstelsel te herzien, schuiven volgend jaar het ziekenfonds en de particuliere ziektekostenverzekering in elkaar. Op energiegebied wordt de splitsing van de netwerken en de commerciële activiteiten doorgezet. De decentralisatie van de bijstandswet naar de gemeenten lijkt een succes. Op belastinggebied is de autolobby getrotseerd en het `grijze kenteken' voor particulieren afgeschaft.

Zelfs het heiligste huisje van de verzuiling, de publieke omroep, staat ter discussie. En anders dan Europese landen als Frankrijk, Duitsland, Italië, Portugal en Griekenland heeft Nederland de overheidsfinanciën onder een tegenzittend economisch gesternte snel op orde weten te brengen.

Deze stelselherzieningen zijn indrukwekkende wetgevende prestaties, maar pas komend jaar zal blijken of de invoering ervan daadwerkelijk slaagt. Dan zal ook blijken dat Nederland, alle retoriek over het einde van het poldermodel ten spijt, op het gebied van pensioenen, zorg en sociale zekerheid nog altijd een polderlandschap is. De overheid, de markt en het maatschappelijke middenveld – de drie spelers op het terrein van de sociaal-economische regelingen en de zorg – herschikken hun posities. De rolverdeling tussen staat, markt en de georganiseerde sociale partners is aan verandering onderhevig, maar nooit krijgt één de complete zeggenschap. Er is altijd sprake van gedeelde verantwoordelijkheden, onduidelijke afbakeningen en ingewikkelde uitvoeringsregelingen. Het scherpst is deze `ordeningschaos' zoals Volkskrant-columnist H.J. Schoo dit verschijnsel onlangs noemde, zichtbaar bij de nieuwe zorgwet en de arbeidsongeschiktheidswet. De complexiteit van de nieuwe stelsels is de politieke weerspiegeling van compromissen met het maatschappelijke middenveld.

Stelselherzieningen zorgen voor onzekerheid en de inkomenseffecten vormen de grootste valkuil. Uitgerekend hierover deed zich deze zomer een nieuwe tegenslag voor die het vooruitzicht op het oogstjaar van het kabinet dreigde te torpederen. De alsmaar stijgende olieprijzen zijn een aanslag op de koopkracht van de burgers. Maar dezelfde stijging van de olieprijzen heeft het kabinet gered. Door de koppeling van de prijs voor het aardgas van Slochteren en uit de Noordzee aan de internationale olieprijzen geniet Nederland een windfall profit van hogere aardgasbaten. Deze vloeien deels in de schatkist ter verlaging van het overheidstekort en deels in het Fonds Economische Structuurversterking (FES).

Het FES, bestemd voor investeringen in de fysieke infrastructuur, wordt aangesproken om 2,3 miljard euro extra te besteden aan extra subsidie voor kinderopvang, verpleeghuizen, afschaffing van het lesgeld, roetfilters voor dieselauto's, investeringen in windmolenparken, schoolgebouwen, monumenten en kennisinstituten. Deze lijst klinkt als een inhaalslag van politieke wenselijkheden voor de bezuinigingen van de afgelopen paar jaar.

Daarnaast heeft minister Zalm de extra aardgasbaten aangesproken voor koopkrachtreparatie. Naast het miljard euro voor de afschaffing van een deel van de onroerendezaakbelasting die in het regeerakkoord was afgesproken, is er 1,5 miljard euro extra voor lastenverlichting in 2006 vrijgemaakt. Het begrotingstekort daalt hierdoor volgend jaar iets minder dan gezien de aardgasmeevallers voor de schatkist mogelijk was geweest: de raming van het Centraal Planbureau van een tekort van 1,6 procent is geruisloos veranderd in 1,8 procent in 2006 en 2007. Het tekort loopt dus iets minder terug ten behoeve van de koopkrachtreparatie. En de staatsschuld neemt licht toe. Een verre voorganger van Zalm placht dergelijk beleid verjubelen te noemen, maar het is een pragmatische oplossing voor een prangend probleem.

Volgend jaar gloort het herstel. Dat is al vaker beloofd en niet bewaarheid, maar aan iedere periode van laagconjunctuur komt vroeg of laat een eind. De hervormingshordes zijn genomen, de koopkracht krijgt een impuls. Het bedrijfsleven heeft zijn winstgevendheid hersteld. Het patroon tekent zich af van een klassiek economisch herstel, waarbij eerst de export, vervolgens de investeringen en ten slotte de werkgelegenheid aantrekken.

Onzekerheden blijven. De Nederlandse economie is in hoge mate afhankelijk van de ontwikkelingen in buurland Duitsland. En als zich ontwrichtingen van de oliemarkt voordoen, waardoor de energieprijzen verder stijgen, heeft dat gevolgen voor de koopkracht waarmee het kabinetsbeleid geen rekening houdt.

Onderwijl ploegt het kabinet-Balkenende II voort. Een kabinet dat weinig populariteit geniet, geplaagd wordt door incidenten en een gemeenschappelijke passie ontbeert. Hervormers zijn het, maar helden zonder glorie.

    • Roel Janssen