Een jager in dienst van het joodse geweten

Simon Wiesenthal, die gisteren op 96-jarige leeftijd in Wenen is overleden, had geen andere keus. Hij moest wel heel oud worden. Alleen zo kon hij er zeker van zijn dat de nazi-misdadigers, naar wie hij zijn levenlang op zoek is geweest, geen rust zouden krijgen. Alleen zo kon hij ,,uit de vergetelheid halen, wat er nooit in mocht raken'', zoals hij schreef.

Wiesenthal verzamelde al tijdens zijn gevangenschap in concentratiekampen van de nazi's gegevens over de gruweldaden van kampbewaarders. Amper drie weken nadat concentratiekamp Mauthausen op 5 mei 1945 was bevrijd, waar hij totaal verzwakt werd gevonden, overhandigde hij de Amerikaanse autoriteiten een lijst met 91 namen van oorlogsmisdadigers. Kort daarna ging hij werken voor het Amerikaanse War Crimes Office in Duitsland. Maar zijn werkelijke opdrachtgever, zei hij zelf, bleef altijd ,,mijn joodse geweten, mijn trouw aan het joodse volk en de herinnering aan de doden''.

Simon Wiesenthal werd geboren op oudejaarsdag 1908, in de buurt van Lvov, dat nu deel uitmaakt van Oekraïne maar destijds behoorde tot de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. Toen zijn vader tijdens de Eerste Wereldoorlog omkwam, verhuisde het gezin naar Wenen om later terug te keren naar Lvov, toen Pools gebied. Daar studeerde Simon architectuur, totdat hem dat onmogelijk werd gemaakt door restricties voor joden. Hij voltooide zijn studie in 1932 in Praag.

In 1939, na het pact tussen Duitsland en de Sovjet-Unie, bezette het Rode Leger Lvov en werd begonnen met de zuivering van `bourgeois' elementen – wat in de praktijk neerkwam op jodenververvolging. Toen de nazi's in 1941 het gebied veroverden, werden Wiesenthal en zijn vrouw tewerkgesteld bij de Ostbahnwerke. In ruil voor spoorwegkaarten van het gebied, hielp het Poolse verzet zijn vrouw – de joodse Cyla Müller, die door haar blonde haren een `arisch' uiterlijk had – aan valse identiteitspapieren, die haar veilig de oorlog doorloodsten. De hele familie van hem en zijn vrouw, in totaal 89 mensen, werden door de nazi's vermoord.

Dat Wiesenthal zelf de twaalf concentratiekampen overleefde waarin hij gevangen heeft gezeten, mag een wonder heten. De ene keer wist hij een dag voordat hij gefusilleerd zou worden te ontsnappen. Later, nadat hij in 1944 opnieuw was gearresteerd, was hij een van de 34 gevangenen – van in totaal 149.000 – die in leven werden gehouden door 200 kampbewaarders in het concentratiekamp Janwska. Ze wilden daarmee voorkomen dat het kamp werd gesloten en ze naar het Oostfront zouden worden gestuurd.

Twee jaar heeft Wiesenthal na de oorlog voor de Amerikanen gewerkt. In die tijd begon zijn speurtocht naar SS-Obersturmbannführer Adolf Eichmann, de uitvoerder van de Endlösung, het plan om alle joden te liquideren. Toen de Amerikanen de belangstelling voor de nazi-misdaden begonnen te verliezen en bovendien nazi-wetenschappers in het geheim naar de Verenigde Staten bleken te smokkelen, begon Wiesenthal, met dertig lotgenoten, in 1947 een eigen documentatiecentrum. Volgens het principe van de oral history werden de getuigenissen verzameld van overlevenden van de kampen. Dat resulteerde in ,,meer dan een ton aan joodse contemporaine geschiedenis'', die hij in 1954 na sluiting van het documentatiecentrum overhandigde aan Yad Vashem, het Israëlische instituut ter herdenking van de holocaust.

Wiesenthal sloot zijn documentatiecentrum nadat hij gedesillusioneerd had vastgesteld dat de wereld de belangstelling voor nazi-misdadigers begon te verliezen. De vroegere geallieerden waren te druk met hun Koude Oorlog, Israël had zijn handen nog vol aan de opbouw van het land en de landen waar de misdaden hadden plaatsgehad deden hun best om zo snel mogelijk terug te keren naar de normaliteit. In de ogen van Wiesenthal was de Koude Oorlog een oorlog ,,waarbij Oost en West de verliezers waren en de nazi-misdadigers de winnaars''.

Na de spectaculaire arrestatie in 1960 van de in Argentinië ondergedoken Adolf Eichmann door de Israëlische geheime dienst hervatte Wiesenthal zijn speurwerk. Hij schreef een boek over de zaak, getiteld Ich jagte Eichmann, dat hem op veel kritiek kwam te staan. Hij zou zijn bescheiden rol bij de zoektocht sterk hebben overdreven. Wiesenthal zei overigens niet dat hij Eichmann had gevonden, maar hield wel vol dat zijn werk van groot belang was geweest, al was het alleen al omdat hij ,,de speurtocht nooit heeft opgegeven'', en omdat hij in 1947 wist te verhinderen dat de rechter Eichmann op verzoek van diens vrouw officieel dood verklaarde.

Omstreden is Wiesenthal sindsdien altijd gebleven. In een beruchte Duitse documentaire uit 1996 getiteld Ende einer Legende werd hij een fantast genoemd. Velen zagen in hem een eigenwijze ijdeltuit, alleen geïnteresseerd in publiciteit voor zichzelf. Het Joodse Wereldcongres had moeite met Wiesenthals consequente afwijzing van collectieve schuld en van iedere gedachte aan wraak. Geen wraak maar gerechtigheid luidt de Nederlandse titel van zijn autobiografie. De Oostenrijkse bondskanselier Bruno Kreisky verweet Wiesenthal dat hij bezig was met ,,privé-inquisitie'' toen deze in 1970 onthulde dat verschillende ministers in Kreisky's regering lid waren geweest van de SS.

Vaak heeft de zoektocht van Wiesenthal succes gehad. Zo wist hij in 1963 Karl Josef Silbermann op te sporen, de politieman die Anne Frank heeft gearresteerd. Darmee toonde hij de door sommigen in twijfel getrokken authenticitiet van haar dagboek aan. Ook heeft Wiesenthal een belangrijke bijdrage geleverd aan de arrestatie van Franz Stangl, de commandant van Treblinka die in 1970 werd veroordeeld en een jaar later in de gevangenis overleed. In 1973 vond hij Hermine Braunsteiner, de `kindermoordenares' van Majdanek, die destijds in New York leefde en aan Duitsland werd uitgeleverd.

Wiesenthal overleefde de meeste van zijn beulen en besloot in april 2003 zijn speurtochten te staken. Degenen die hij nog zou kunnen opsporen, waren volgens hem inmiddels ,,te oud en te zwak'' om nog berecht te worden. Hij richtte zich de laatste jaren toch al steeds meer op de strijd tegen opkomend neonazisme. Want hij vond het pijnlijk dat mensen kennelijk niet in staat waren uit de gruwelijke geschiedenis te leren en om te merken dat ,,haat en brutaliteit het nationaal-socialisme en communisme overleefd'' hebben. ,,Ik wilde meewerken aan het herstel van een rechtvaardige samenleving, waarin vrede zou heersen en haat uitgebannen'', zei Wiesenthal in 1992 toen aan hem de Erasmusprijs werd uitgereikt. ,,In mijn naïviteit dacht ik dat dit doel binnen enkele jaren zou zijn verwezenlijkt.''