Nigeriaan ziet weinig van hoge olieopbrengst

De hoge olieprijs levert Nigeria miljarden extra op. Maar die gaan vooral naar het afbetalen van schulden. De gewone Nigeriaan merkt weinig van de olierijkdommen.

In zowel olie-exporterende als -importerende landen in Afrika komen de hogere olieprijzen keihard aan. In het West-Afrikaanse Nigeria gingen afgelopen week in de economische hoofdstad Lagos duizenden mensen de straat op om te betogen tegen een verhoging van 30 procent van de benzineprijs. In Kenia aan de oostkust laten steeds meer automobilisten hun auto staan en gaan lopen of met de bus.

In Nigeria nemen de protesten een politieke vorm aan. ,,We moeten ons opmaken voor een lange strijd'', zei woensdag de Nigeriaanse vakbondsleider Adams Oshiomhole op de betoging van 5.000 mensen. ,,We moeten een oplossing zoeken door een coalitie te vormen en de regeringspartij uit te dagen.'' In de betoging liepen oppositieleiders, de aartsbisschop van Lagos, de schrijver Wole Soyinka en leden van culturele organisaties mee. Ze beschuldigen de regering van president Olusegun Obasanjo van asociaal beleid en verwijten de president aan de leiband te lopen van Amerika en het Internationaal Monetair Fond (IMF).

Nigeria is de achtste olieproducent ter wereld en de grootste van zwart Afrika. Door de hoge olieprijzen verdiende het vorig en dit jaar 15 miljard dollar extra, maar deze extra inkomsten gaan goeddeels naar het afbetalen van internationale schulden. Bovendien is Nigeria zowel exporteur als importeur. Het land heeft vier raffinaderijen die op zeer beperkte capaciteit werken en daarom moet het land voor 2 miljard dollar per jaar geraffineerde olie importeren.

De olierijkdommen zijn aan de gewone Nigeriaan voorbijgegaan: naar schatting tweederde van de ruim 120 miljoen inwoners leeft van minder dan 1 dollar per dag. De relatief lage prijs voor benzine aan de pomp – ongeveer een halve dollar per liter – zien de arme Nigerianen als compensatie voor het gebrek aan investeringen door de overheid in de sociale sector. Daarom hebben de vakbonden zich de afgelopen jaren hevig verzet tegen verhoogde benzineprijzen. De regering zegt ieder jaar 2 miljard dollar uit te geven om de prijzen laag te houden, maar deze subsidie niet meer te kunnen opbrengen.

Een hogere olieprijs heeft onmiddellijk effect op iedere Afrikaan, hoewel de meeste inwoners van het armste continent ter wereld zich nog geen fiets – laat staan een auto – kunnen permitteren. De meeste Afrikanen koken op paraffine en een olielampje brengt 's nacht wat licht. De prijs van paraffine ging in Kenia de afgelopen maanden van 45 naar 60 shilling (65 eurocent), een gigantische toename voor iemand die van 1 euro per dag moet leven.

,,Ik ga tegenwoordig niet naar de winkel om te kopen, maar om te kijken'', zegt Maora Karanja, een inwoner van een sloppenwijk in Nairobi. ,,Daarna ga ik weer naar huis om uit te rekenen wat ik me kan veroorloven, maar er valt vrijwel niets meer te kopen met mijn geld.'' Basisproducten als maïsmeel, suiker en bakolie namen met ten minste eenderde toe.

Wanyiku Misee heeft een autotje. ,,Ik neem nu weer de bus, benzine kan ik me niet meer veroorloven.'' De verkoop van benzine aan de pomp is in Kenia de afgelopen twee maanden afgenomen. Van zee afgesloten landen die olie via Kenia importeren zijn nog zwaarder getroffen. In Oeganda, Rwanda, Burundi en Oost-Congo stegen de prijzen nog sneller en moesten enkele benzinestations sluiten.

Kenia begon twee jaar geleden onder de nieuwe regering van president Kibaki moeizaam aan een economisch herstel, na tien jaar negatieve groei door corruptie en ander wanbeleid. Vorig jaar groeide de economie voor het eerst weer met 4,3 procent, dit jaar was de verwachting 5 procent groei. De regering waarschuwde deze week dat de groei vermoedelijk lager zal uitvallen door de hogere olieprijzen.

    • Koert Lindijer