Jongeren zullen voor ouderen moeten zorgen

In zijn recente boek stelt CDA'er Bert de Vries dat de kosten van de vergrijzing door ouderen zelf kunnen worden opgebracht. Volgens Paul de Beer maakt hij twee fouten.

Door het geruchtmakende boek van Bert de Vries, Overmoed en onbehagen, staat de houdbaarheid van de AOW en de gezondheidszorg weer in het middelpunt van de belangstelling. Langzamerhand leek er over het gehele politieke spectrum consensus te zijn ontstaan over de noodzaak van een hogere arbeidsparticipatie om de oplopende kosten ten gevolge van de vergrijzing van de bevolking te financieren.

En dan betoogt nota bene een prominente CDA'er dat de angst voor de oplopende kosten van AOW en gezondheidszorg ongegrond is. De Vries heeft daarvoor een verrassend simpele redenering, volgens hem ,,het best bewaarde geheim van Den Haag''. Onder verwijzing naar berekeningen van het Centraal Planbureau becijfert De Vries dat de kosten van de AOW en de gezondheidszorg als gevolg van het groeiende aantal ouderen de komende 35 jaar weliswaar met 5,5 procent van het bruto binnenlands product (bbp) zullen oplopen, maar in diezelfde periode zullen de ouderen zelf ook 5 procent van het bbp aan extra belastingen gaan opbrengen. De oplopende kosten van de vergrijzing worden dus vrijwel volledig door de ouderen zelf opgebracht. Derhalve hoeft de bevolking onder 65 jaar niet noemenswaard extra belast te worden om de vergrijzingskosten te betalen. Bijgevolg is het ook niet nodig dat de arbeidsparticipatie van de 65-minners stijgt om de voorzieningen voor de ouderen te kunnen betalen. Zoals De Vries optimistisch concludeert: ,,Zonder het te beseffen heeft ons land zichzelf kennelijk immuun gemaakt voor de kosten van vergrijzing waar de rest van Europa zwaar onder gebukt zal gaan.''

Boekhoudkundig is er geen speld tussen te krijgen: als aan de debet- en de creditzijde hetzelfde bedrag wordt opgevoerd, blijft het huishoudboekje van de staat keurig in evenwicht. Bij de betaalbaarheid van de AOW en de gezondheidszorg gaat het echter om méér dan boekhouden. Daarvoor heeft De Vries onvoldoende oog. Hierdoor maakt hij twee cruciale redeneerfouten.

Allereerst wordt in Nederland niet alleen belasting geheven om de AOW en de gezondheidszorg te financieren. Het gaat ook om wegen en dijken, om politieagenten en rechters, om onderwijzers en leraren, en zelfs om die vermaledijde ambtenaren. Als de extra belasting die de groeiende groep 65-plussers de komende 35 jaar zal opbrengen volledig nodig is om de kosten van de ouderen zelf te dragen, leveren zij dus geen extra bijdrage aan andere collectieve voorzieningen. Die komen geheel ten laste van de verhoudingsgewijs steeds kleinere groep onder de 65 jaar. Toch profiteren ook de ouderen van die voorzieningen: ook zij worden beschermd door dijken en politie en ook zij verplaatsen zich over wegen of met het openbaar vervoer. Zouden de ouderen volledig voor hun groeiende gebruik van publieke voorzieningen betalen, dan zouden zij dus méér moeten opbrengen dan voor de AOW en de gezondheidszorg nodig is.

Nog ernstiger is echter de tweede redeneerfout van De Vries. Impliciet veronderstelt hij dat het pensioeninkomen dat de gepensioneerden ontvangen niet ten laste gaat van de jongeren. Zij hebben daar immers voor gespaard en leven dus in feite van hun eigen spaargeld. Boekhoudkundig gezien is dit weliswaar juist, maar economisch niet. Van spaargeld kun je immers niet leven. Daarvoor moet het eerst worden omgezet in goederen en diensten. En daarvoor heb je mensen nodig die werk verrichten. Als de ouderen in de toekomst een steeds groter deel van het nationaal inkomen ontvangen – simpelweg omdat zij in aantal toenemen – zullen zij dus ook een steeds groter beslag leggen op de totale nationale productie, die wordt opgebracht door de werkenden onder 65 jaar. Het is dus onvermijdelijk dat van de totale hoeveelheid goederen en diensten die de jongeren produceren een steeds groter deel naar de niet-werkende ouderen gaat. Of dit het gevolg is van stijgende belastingtarieven of van hogere kapitaalinkomens doet niet ter zake. Het effect is hetzelfde: de jongeren zullen een steeds groter deel van hun werkweek niet voor zichzelf maar voor de gepensioneerden aan het werk zijn.

Met deze kritiek op De Vries' berekening sluit ik mij niet aan bij de pessimisten die vrezen voor de toekomstige betaalbaarheid van de AOW en de gezondheidszorg. Integendeel, de betaalbaarheid als zodanig kan nooit het probleem zijn, omdat het in de eerste plaats om een verdelingskwestie gaat. Aangezien de relatieve kosten van de AOW en de gezondheidszorg betrekkelijk ongevoelig zijn voor het tempo van economische groei, gaat het er niet om of we gezamenlijk genoeg verdienen om die te kunnen betalen. De betaalbaarheid van de AOW en de gezondheidszorg wordt bepaald door de vraag of we bereid zijn de kosten ervan op te brengen.

Cruciaal is of de jongeren van morgen bereid zullen zijn een groter deel van wat zij produceren af te staan aan de ouderen. Daarvoor hoeft overigens niet alleen een beroep te worden gedaan op hun warme gevoelens voor de ouderen. Het is ook een kwestie van welbegrepen eigenbelang, aangezien ook zij ooit oud zullen zijn en dan een beroep zullen doen op de solidariteit van de jongeren van de toekomst. Uiteindelijk kan de houdbaarheid van de AOW en de gezondheidszorg niet worden veiliggesteld met creatief boekhouden, maar alleen met een beroep op de solidariteit van jongeren met ouderen.

Paul de Beer is bijzonder hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Universiteit van Amsterdam en verbonden aan De Burcht en aan het Amsterdams Instituut voor ArbeidsStudies (AIAS).

    • Paul de Beer