Deemoedig belijden van fouten is onvoldoende

Het Kamerdebat over de Schiedamse moordzaak heeft mij treurig gestemd. Het heeft mij in de mening gesterkt dat onze volksvertegenwoordigers, een enkeling wellicht daargelaten (maar die heeft in het debat ontbroken), het kennis- en intelligentie niveau missen dat nodig is om te kunnen opboksen tegen zulke in het debat gewiekste lieden als de minister van Justitie.

Tot aftreden voelde de minister zich niet geroepen, met het motief dat hij weliswaar zijn verantwoordelijkheid voor de betreurenswaardige gang van zaken op (onderdelen) van zijn departement erkende, maar dat hij bij de behandeling van de moordzaak zelve niet betrokken was geweest, omdat die immers voor zijn aantreden had plaatsgehad.

Dat is wel een heel nieuwe interpretatie van het begrip ministeriële verantwoordelijkheid. Heeft die immers niet altijd zo geluid, dat een zittend minister niet alleen verantwoordelijk is voor wat tijdens zijn zittingsperiode gebeurt, maar ten volle ook voor alle handelingen die voorafgaand aan zijn aantreden door de ambtenaren van zijn ministerie zijn verricht en nagelaten? Dat verplicht een zittend minister tot meer dan deemoedig belijden van begane fouten alleen.

Dat de Tweede Kamer zich, met de prijzenswaardige uitzondering van D66, in meerderheid gelaten en slaafs voor het excuuskarretje van minister Donner heeft laten spannen, typeert haar gebrek aan ruggengraat, wanneer het erop aankomt haar gezag tegenover een lid van het kabinet te doen gelden, als deze zijn verantwoordelijkheid weliswaar met de mond belijdt, maar met de daad niet neemt.

Opnieuw hebben, zo valt te vrezen, partijpolitieke belangen het bij de volksvertegenwoordigers gewonnen van hun gewetensvolle plicht een minister het falen en feilen van zijn ambtelijk apparaat ten laste te leggen en hem daarvoor de laan uit te sturen. Verloop en uitkomst van het debat laten nauwelijks een andere conclusie toe dan dat van het gezonde dualisme dat het volk is beloofd, niets wordt waargemaakt.

Zo laden kabinet en volksvertegenwoordiging zelf de schuld op zich van een verder afglijden van de toch al gebrekkige interesse van het volk in de Haagse bemoeienissen naar volslagen politieke apathie.

    • E.E van der Schaaf