Zuivering en gemeenschap

Na de Duitse bezetting hanteerde de Groningse universiteit een zuivering op basis van simpele, harde criteria. Die steunde op het – illusoire – ideaal uit de jaren dertig van een academie als standsbewuste gemeenschap.

`WIE DE GRONINGSE universiteit in oorlogstijd wil begrijpen kan niet volstaan met een blik op acties van de bezetter,'' zegt Klaas van Berkel, hoogleraar moderne geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. ``Dat geeft een volstrekt vertekend beeld. De oorlogsjaren vielen `toevallig' midden in een veranderingsproces dat al langere tijd liep, een transformatie van elite- naar massa-universiteit.''

In opdracht van zijn college van bestuur schreef Van Berkel een studie over de oorlogsjaren van de Groningse universiteit: Academische illusies. ``Dat moest nog. Nu leven er nog alumni uit die periode, wachten tot het eeuwfeest van 2014 was geen optie. Het aantrekkelijke van het onderwerp is niet alleen dat het door de politieke en sociale component méér is dan wetenschapsgeschienis, ook de morele dimensie spreekt me aan. Je kunt je in dit geval niet als koele klinicus opstellen, het is niet het sociale oproer in Gent van 1539. De geschiedschrijving over de Groningse oorlogsperiode is willens en wetens, soms contre coeur, in morele termen gegoten. Juist in zo'n ingewikkelde, ook moreel geladen kwestie als de beoordeling van het gedrag van docenten en studenten tijdens de oorlog kan je als historicus laten zien wat je waard bent. Dat was voor mij mede een reden de opdracht te aanvaarden. Het is geen doorsnee klus die je kan klaren door gewoon je werk te doen, maar hier word je aangesproken op kwaliteiten die er bij een historicus werkelijk toe doen. Scherprechter heb ik niet willen zijn, maar mijn eigen mening is wel degelijk met het boek vervlochten.''

Academische illusies begint met een lange aanloop: bijna eenderde van het boek handelt over de jaren dertig. Voor een goed begrip van wat in de oorlogsjaren plaatsgreep is die verbreding essentieel, vindt Van Berkel. ``Wie de oorlog op zichzelf beschouwt, ziet een onbegrijpelijk intermezzo in de geschiedenis van de universiteit. Het verlangen naar academische `gemeenschap', het gevoel van saamhorigheid zoals dat kort na de Duitse inval op een bijeenkomst in Ter Apel tot uiting kwam, heeft zijn wortels in de jaren dertig. Wat ook speelde was de eeuwige angst voor opheffing – nog in 1935 overwoog de regering om 's lands kleinste universiteit te sluiten. De ontvankelijker houding van de Groningse academische autoriteiten jegens de Duitse bezetter moet je in dat licht zien. De ariërverklaring van oktober 1940, die moest uitmaken of iemand joods was, is door alle Groningse hoogleraren getekend. Elders was er meer verzet en in Delft en Leiden, waar stakingen uitbraken, gingen de universiteiten dicht. In Groningen redeneerde men: Delft en Leiden gaan vast weer open, bij Groningen is dat zeer de vraag. Pas toen joden uit studentenverenigingen geweerd werden, oktober 1941, kwam er actie: Vindicat, Albertus Magnus, VERA, de Groene Uil en Magna Pete hieven zichzelf op.''

stakingen

Een cruciaal moment was de loyaliteitsverklaring van 1943. Studenten moesten beloven geen anti-Duitse acties te zullen ondernemen, anders mocht men niet doorstuderen en was er het risico van tewerkstelling in Duitsland. Studenten- en hooglerarenverzet waren tegen en in eerste instantie tekenden in Groningen maar 121 studenten, tien procent – landelijk een laag cijfer. Dat veranderde toen in april-mei stakingen uitbraken, die met bruut geweld werden gebroken. In het nauw gebracht door standrechtelijke executies en het bevel van Rauter zich te melden voor transport naar Duitsland, kozen 180 studenten op 5 en 6 mei alsnog voor tekenen, aangemoedigd door het – valse – gerucht dat wie alsnog tekende vrijgesteld zou worden van tewerkstelling. Van Berkel: ``De theoloog Gerardus van der Leeuw, leider van het Groningse hooglerarenverzet en na de oorlog minister van onderwijs, sprak zich toen uit voor tekenen. Dat is later verdoezeld en toen dagblad De Waarheid het na de oorlog onthulde, ontkende hij heftig. Maar uit vragenformulieren en interviews met reünisten blijkt het wel degelijk te kloppen. Allemaal niet van werkelijk grote betekenis – het was pure paniek en binnen een dag was het bijgesteld – ware het niet dat het die 180 studenten die alsnog tekenden bij de zuivering na de oorlog zwaar is aangerekend.''

Na de oorlog was Groningen de eerste universiteit die zijn deuren weer opende. Iedere student die zich aanmeldde moest eerst langs een zuiveringscommissie. Tijdens zijn onderzoek ontdekte Van Berkel dat de zuiveringsrapporten zich nog altijd in het universiteitsarchief bevinden. ``Als je die verslagen leest merk je dat er fundamenteel verschillend gedacht werd over wat een zuivering moest inhouden, over wat een universiteit inhield. De commissie wilde vaart maken en hanteerde simpele harde criteria. Wie in '43 de loyaliteitsverklaring getekend had zat fout en kon een uitsluiting tegemoet zien van soms tweeënhalf jaar. Familieomstandigheden, geen onderduikadres, standrechtelijke executies om de hoek, de aanmoediging van Van der Leeuw toch te tekenen: het was allemaal geen excuus.''

nihilisten

Dat strakke goed-foutschema was ingegeven door ethische uitgangspunten van de traditionele studentenverenigingen. Die hielden vast aan het oude standbewuste ideaal van de universiteit als morele gemeenschap en wilden dat opleggen aan `nihilisten' die de universiteit in de eerste plaats als opleidingsinstituut zagen, als een functionele gemeenschap. Overigens organiseerden die zogeheten nihilisten zich in tal van kleinschalige verbanden en ontleenden daaraan ook een podium. Van Berkel: ``Altijd pretendeerde Vindicat, het corps, dè vertegenwoordiging van de studenten te zijn. Vanuit hun ideaal logisch, maar als historicus achtte ik het nodig ook andere perspectieven te tonen. Vindicat heeft tijdens de oorlog het vaandel hoog gehouden maar muntte ook uit in minder nobele machtspolitieke machinaties.''

Opvallend in Academische illusies is Van Berkels zeer scherpe commentaar – ``beschamend, min, ergerlijk'' – op de campagne die de faculteit der Letteren en Wijsbegeerte na de oorlog voerde tegen de van origine Duitse filosoof Helmuth Plessner. Deze Keulse hoogleraar, van huis uit zoöloog, was bezig een glanzende carrière op te bouwen, tot hij als jood in 1933 het veld moest ruimen. Een hulpcomité haalde hem op initiatief van de fysioloog Buytendijk naar Groningen en in 1936 werd Plessner privaatdocent.

kopstuk

``Plessner heeft het prima gedaan'', zegt Van Berkel. ``Groningen heeft niet half beseft welk een filosofisch kopstuk men in huis had. Bij de studenten was hij als inspirerend docent zeer geliefd en ook een groep docenten was op zijn hand. Maar die steun kwam vooral van buiten de letterenfaculteit: rechten en theologie. Binnen de kritische, exacte Groningse wijsbegeerte – Plessner sprak van `Heymanskinderen' – zat niemand te wachten op een vertegenwoordiger van de moderne fenomenologische richting. Men vreesde een terugkeer naar filosofie die dienstbaar was aan levensbeschouwing.''

Na de oorlog ontstond een rel toen Plessner door de Commissie van Herstel naar voren werd geschoven om de vacature Polak op te vullen. Leo Polak, hoogleraar rechtsfilosofie en een dwarse denker die zich door zijn compromisloos optreden bij collega's niet altijd even geliefd had gemaakt, moest in november 1940 op last van de bezetter zijn werk neerleggen. De universiteit stak geen hand uit. Polak bezweek december 1941 in concentratiekamp Sachsenhausen als gevolg van de ontberingen.

In Plessners naoorlogse zuiveringsrapport staat geen kwaad woord. Maar zodra hij in beeld kwam om Polak op te volgen, begon het stoken en zwartmaken. Belangrijkste bezwaar: Plessner was Duitser. Niettemin werd Plessner – die een aanbod om in Keulen hoogleraar te worden liet lopen – toch voorgedragen. De letterenfaculteit, in de ban van de filosofen, reageerde furieus. Plessners naturalisatie tot Nederlander werd gedwarsboomd en nog na zijn benoeming werd zijn houding tijdens de oorlog in twijfel getrokken. Het kwam er op neer dat hij als Duitser voor en na de inval in mei 1940 omgang met Duitsers had gehad en wel eens in hetzelfde pension had gelogeerd als een nationaal-socialistische onderwijzer. Van collega's in de letterenfaculteit ontving Plessner botte brieven en bij zijn oratie lieten ze en masse verstek gaan.

Deze gang van zaken ontlokte aan Van Berkel de volgende alinea: `Hoogleraren die tijdens de oorlog op collegiale wijze met de deutschfreundliche germanist en rector-magnificus Kapteyn waren blijven omgaan, konden het nu opeens niet meer opbrengen aanwezig te zijn bij de installatie van een `goede' Duitser. Hoogleraren die zich op kritieke momenten op de vlakte hadden gehouden en verder de oorlog rustig hadden uitgezeten, werden nu ineens principieel en bleven weg bij de oratie van een collega die wel had moeten onderduiken. Dat de heren zich op zo onheuse wijze gekeerd hebben tegen een van de weinige Groningse geleerden van die dagen wier werk nu nog vakgenoten tot inspiratie dient, strekt ze tot schande.'

Klaas van Berkel. `Academische illusies. De Groningse universiteit in een tijd van crisis, bezetting en herstel, 1930-1950. Bert Bakker, 650 blz. ISBN 90 351 2684 x. Prijs: €39,95.

    • Dirk van Delft