We moeten nodig met Al-Qaeda gaan praten

Westerse beleidsvormers zijn te veel gericht op de haat en irrationaliteit van Al-Qaeda. Dat is jammer want deze organisatie is bereid om, in ruil voor zekere genoegdoening, de oorlog tegen de VS te staken.

Terwijl de oorlog tussen de Verenigde Staten en Al-Qaeda zijn vijfde jaar ingaat, wordt de aard van de gewapende campagne door deze internationale islamistische groepering nog altijd niet goed begrepen. Zolang het conflict grotendeels wordt gezien als een simpele kwestie van goed tegen kwaad, wordt een niet-militaire benadering van Al-Qaeda als ongepast en onnodig afgeschilderd. Toch vergt de ontwikkeling van een strategie voor de volgende fase van de mondiale reactie op Al-Qaeda inzicht in de vijand – iets waarin westerse analisten systematisch tekortgeschoten zijn. 11 september 2001 was geen irrationele daad, geen acte gratuit. Het was een militaire operatie die al minstens vanaf 1996 werd voorbereid en opgezet en die werd uitgevoerd door een getraind commando in het kader van een oorlog die al tweemaal officieel en openbaar was afgekondigd. De operatie was gericht op twee militaire locaties en een burgerdoel dat als symbool van de Amerikaanse economische en financiële macht werd beschouwd. De aanslag was het hoogtepunt van een bredere campagne, beraamd vanwege de voorspelbare reactie van de vijand, en bedoeld om tactisch de overhand te krijgen.

Door de overweldigende aandacht voor de oorlogskant van het conflict zijn de geleerden en beleidsvormers te zeer gericht op de `irrationaliteit', het `fundamentalisme' en de `haat' van Al-Qaeda – en deze kijk blijft de belangrijke analyses kleuren. De overheersing van dit soort verklaringen is vooral verbazend in het licht van de ondubbelzinnige uitspraken van Al-Qaeda omtrent de hoofdredenen voor zijn oorlog tegen de Verenigde Staten. Die zijn sinds 1996 voortdurend naar voren gebracht, met name in de oorlogsverklaringen van augustus 1996 en februari 1998 en in de rechtvaardigingen voor voortzetting van deze oorlog van november 2002 en oktober 2004.

Sinds de aanslagen op New York en Washington hebben Osama bin Laden en Ayman al-Zawahiri respectievelijk 18 en 15 maal via een geluids- of videoband een drieledige boodschap uitgedragen: de Verenigde Staten moeten een punt zetten achter hun militaire aanwezigheid in het Midden-Oosten, hun kritiekloze politieke en militaire steun aan de Israëlische bezetting van Palestijns gebied en hun hulp aan corrupte en onderdrukkende regimes in de Arabische en islamitische wereld. Al-Qaeda is van mening dat de burgers van de landen waarmee het in oorlog is, verantwoordelijk zijn voor het beleid van hun regering. Zo'n democratisering van de verantwoordelijkheid, is de stelling van bin Laden, vloeit voort uit de bevoegdheid van de burgers om vertegenwoordigers te kiezen en weg te sturen die namens hen beslissen over de buitenlandse politiek.

Al-Qaeda is een hardwerkende, toegewijde en machtige organisatie die een politieke, beperkte en ontwijkende uitputtingsoorlog voert – geen godsdienstige, apocalyptische met een open einde. Het afgelopen jaar heeft het persoonlijke en publieke bondgenootschappen gesloten, bestanden aangeboden, verkiezingen beïnvloed en een internationale status verworven die meer is dan alleen een bedreiging van de veiligheid.

Het heeft een uitgesproken beleid gevoerd, strategisch-operationele flexibiliteit getoond en bekwaam goedkope acties met een hoog effect uitgevoerd (Riyadh 1995, Dhahran 1996, Nairobi en Dar-es-Saalam 1998, Yemen 2000, New York en Washington 2001, Bali 2002, Istanbul 2003, Madrid 2004 en Londen 2005). De laatste tijd heeft deze veelzijdige speler zich in staat getoond om te midden van verhoogde internationale tegenmaatregelen te opereren.

Toen de leiding van Al-Qaeda na 2002 niet meer over een centraal toevluchtsoord in Afghanistan kon beschikken, besloot ze tot een elastische defensiestrategie met behulp van mobiele strijdkrachten, een opvoering van haar internationale operaties en een uitbreiding van haar tactische mondiale betrekkingen. Ze stimuleerde de verbreiding van mini-Al-Qaeda's, die binnen een regionaal kader zelfstandig konden handelen.

Zo waren tussen 2002 en 2005 – en afgezien van de oorlog in Irak – de Verenigde Staten en zeven van hun westerse bondgenoten doelwit van 17 grote aanslagen in 11 landen met een totaal van 760 dodelijke slachtoffers. In 2001 had Ayman al-Zawahiri gewezen op het rendement van deze maatregelen, gelet op ,,de noodzaak de tegenstander het maximum aan doden te bezorgen, want dat is de taal die het Westen verstaat, hoeveel tijd en moeite zulke acties ook vergen''. Vorige maand herhaalde hij deze inzet en kondigde hij nieuwe aanslagen tegen de Verenigde Staten aan.

Hoe kan deze oorlog worden beëindigd? Geen van beide partijen kan de ander verslaan. De Verenigde Staten zullen geen halt kunnen toeroepen aan een diffuse, georganiseerde internationale militante beweging, die almaar nieuwe vormen aanneemt en wier strijd de sympathie van grote aantallen moslims op de achtergrond geniet.

Omgekeerd kan Al-Qaeda wel tactische overwinningen op de Verenigde Staten en hun bondgenoten boeken, maar het kan de enige grootmacht ter wereld niet verslaan.

Hoewel in brede kring verworpen, zou de beste strategie voor de Verenigde Staten wel eens kunnen zijn om de collectieve redenen waarin Al-Qaeda zijn gewelddaden verankert te erkennen en aan de orde te stellen. Al-Qaeda houdt al meer dan tien jaar woord wat de verkondiging en uitvoering van zijn strategie betreft. De organiatie zal vermoedelijk ook in de toekomst woord houden en de vijandigheden tegen de Verenigde Staten beëindigen – en inderdaad een einde maken aan de oorlog die het in 1996 en in 1998 heeft afgekondigd – in ruil voor een zekere genoegdoening met betrekking tot zijn grieven. In 2002 verklaarde bin Laden: ,,Of Amerika dit conflict nu verhevigt of afzwakt, wij zullen diezelfde weg volgen.''

De auteur is verbonden aan het Program on Humanitarian Policy and Conflict Research van de Harvard-universiteit.

© Boston Globe