We moeten niet leren van het verleden maar van de toekomst

Onze politici worden hoofdzakelijk geïnspireerd door dat wat ze in hun achteruitkijkspiegel zien. Regeren is vooruitzien? Das war einmal.

Het voorspellen van de toekomst wordt wel het op één na oudste beroep genoemd. De geschiedenis vertoont een bonte stoet profeten, zieners, futurologen en, de laatste vijftig jaar, professionele toekomstonderzoekers. Maar heeft het ook zin om naar de toekomst te kijken? In een recent nummer van Foreign Policy geven zestien internationaal bekende denkers en visionairs hun visie op het jaar 2040 (zie hierboven). Futuroloog Peter Schwartz stelt dat onze huidige drugs worden vervangen door designerdrugs op volledig chemische basis, die eenvoudig thuis gefabriceerd kunnen worden. Als deze constatering klopt, zal de Nederlandse overheid zich straks niet meer op bolletjesslikkers moeten richten maar op `reageerbuis-slikkers'. Schrijver Jacques Attali voorziet dat door de toename van de individuele vrijheid er een einde komt aan monogamie. Waarom mag iemand maar van één persoon op het hetzelfde moment houden? Misschien moet Donner eens nadenken over de juridische consequenties van `bi-huwelijken'. Alle experts in Foreign Policy bezien de ontwikkelingen vanuit een internationaal perspectief, maar hoe wordt eigenlijk in Nederland met de toekomst omgesprongen?

Het is opvallend dat veel politici zich niet willen of kunnen bezighouden met dit soort trends. Op prinsjesdag maakt men zich over het algemeen drukker over de vraag of de begroting tot twee cijfers achter de komma klopt dan over de vraag of het kabinetsbeleid aansluit bij langetermijnontwikkelingen.

De huidige Nederlandse cultuur is doordrenkt van aandacht voor het verleden. Talloze radio- en televisieprogramma's kijken terug op allerlei historische gebeurtenissen. Ook de politiek is besmet met het geschiedenis-virus. Men is zelfs vóór geschiedenis! Politieke kopstukken als Marijnissen en Balkenende benadrukken voortdurend de waarde van historische kennis en historisch besef. Ze maken zich zeer druk om het feit dat Nederlandse burgers, zo wordt beweerd, niet meer weten waar hun wortels liggen en pleiten voor een nieuwe canon van de Nederlandse geschiedenis. Sterker nog, Balkenendes wens om meer aandacht te schenken aan onze normen en waarden is vooral een pleidooi om het christelijk geïnspireerde normen- en waardenstelsel uit de jaren vijftig te herintroduceren. Het gezegde `regeren is vooruitzien' is dan ook minder actueel dan ooit. Politici kijken niet vooruit, maar worden hoofdzakelijk geïnspireerd door dat wat ze in hun achteruitkijkspiegel zien.

Maar geschiedenis is een slechte raadgever voor politici. Er dienen grote vraagtekens te worden geplaatst bij de waarde van historische kennis. Historische kennis is immers niet een rijtje met objectieve en onweerlegbare feiten. Historische kennis is een palet van verschillende interpretaties van gebeurtenissen door geschiedkundigen. Stuur vier historici één archief in en ze komen naar buiten met vier verschillende opvattingen. Dit geldt eveneens voor politieke stromingen. Een communist kijkt anders naar de Tweede Wereldoorlog dan een liberaal of een sociaal-democraat. Historische kennis is dus geen objectieve meetlat maar verschilt al naar gelang de politieke positie of het maatschappelijk perspectief. De uitslag van het recente referendum over de Europese grondwet was voor het nee-kamp een teken dat Europa gaat inbinden terwijl de politieke voorstanders het zien als een tijdelijke pas op de plaats voor de Europese integratie. Dé geschiedenis bestaat niet en juist geschiedkundigen beweren dat de geschiedenis zich niet herhaalt. Historische gebeurtenissen worden juist gekenmerkt doordat ze zich eenmalig voordoen (`een historisch moment') en vormen daardoor een breuk met het verleden. De analogie tussen verleden en toekomst wordt steeds minder sterk. Als de geschiedenis ons één ding heeft geleerd dan is het wel dat die ons steeds minder leert. Inderdaad, een paradoxale opvatting.

Politici worden maar al te vaak verrast door, in hun ogen, nieuwe ontwikkelingen. Haagse politici hebben zeer veel moeite met het oppikken van deze signalen uit de samenleving. Het valt dan ook sterk te betwijfelen of de politiek een bijdrage kan leveren aan de innovatiekracht van de Nederlandse economie als men zelf weinig gevoel heeft voor de gewenste verandering en vernieuwing. De kloof tussen politiek en burger (die na het referendum over de Europese grondwet dieper lijkt dan ooit) is een ander voorbeeld van het achterlopen van de politiek bij (internationale) maatschappelijke ontwikkelingen. Veel politici denken, bijvoorbeeld, veelal nog in nationale zuilen, terwijl veel burgers al geïndividualiseerd, `gemondialiseerd' en geëmancipeerd zijn. Doordat Haagse politici voornamelijk op nationaal niveau denken en doen, onderkent men niet de seeds of change die zich op internationaal en lokaal niveau voordoen. Terecht wees minister en voormalig burgemeester Pechtold (D66) er onlangs op dat lokale politici beter contact hebben met de bevolking dan veel ministers uit het huidige kabinet. Terwijl Haagse politici vaak verbaasd zijn over bepaalde problemen, blijken die voor de gewone burger al de praktijk van alledag te zijn. Den Haag kan leren van de gemeente Alphen aan den Rijn, waar men aan burgers heeft gevraagd om samen met de bestuurders een visie op 2018 te ontwikkelen. Interactief nadenken over de toekomst van een gemeente betekent het gebruiken van de signalen uit de samenleving en daarmee het creëren van een groter draagvlak voor politieke beslissingen in het heden. Verdere democratisering van het politieke bestel en meer ruimte geven aan burgers om zelf hun toekomstige leven in te richten gaan dan hand in hand.

Als politici naar de toekomst kijken dan doen ze dat vaak verkeerd. Ze schatten de toekomst te optimistisch of te pessimistisch in. Een recente publicatie van de onderzoekers Flyvbjerg, Bruzelius & Rothengatter (die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan de commissie-Duijvesteijn) toont aan dat vrijwel alle grootschalige infrastructuurprojecten (wegen, tunnels, bruggen) structureel en systematisch verkeerd worden gemanaged, waarbij men de kosten en opbrengsten bewust te optimistisch inschat. Zo werd bij de aanleg en exploitatie van de `Chunnel' (de tunnel tussen Frankrijk en Engeland) niet uitgegaan van de concurrentie van low-cost vliegtuigmaatschappijen als EasyJet en Ryanair. Wat dat betreft lijkt de geschiedenis zich wél te herhalen met de aanleg van de Zuiderzeelijn. Nu al zijn er grote kostenoverschrijdingen aangekondigd terwijl Hans Alders, de commissaris van de koningin in Groningen, vorig jaar beloofde dat alles onder controle is. Het ontbreken van een integrale visie op een infrastructureel project ziet men ook terug in de manier waarop de projecten uiteindelijk tot stand komen. Nadat er op basis van een smalle toekomstvisie is besloten een project te ontwikkelen, komen er voortdurend (zelfs tijdens de bouw) vanuit de Tweede Kamer en het maatschappelijk middenveld nieuwe eisen (een dikker geluidswalletje, een extra tunneltje, een hoger bruggetje, etc.) die voor vertraging en hogere kosten zorgen. Een bredere visie die eerder en beter rekening houdt met meerdere aspecten van het project (mogelijke alternatieven, politieke belangen, nieuwe technieken, concurrerende ontwikkelingen) kan veel van deze problemen voorkomen.

Dit alles brengt de vraag naar voren waarom politici zo weinig oog hebben voor de toekomst. Henry Kissinger zei al: ,,the urgent drives out the important'' en Lousewies van der Laan (D66) sprak recent van de `magnetron-samenleving': mensen willen alles snel én nu. Het huidig volatiele tijdsgewricht zorgt er ook voor dat politici, maar ook burgers en (commerciële) organisaties, hun tijdshorizon verkorten en overgaan tot experimenteren of een `trial-and-error' strategie volgen bij het ontwikkelen van nieuwe initiatieven. ,,De toekomst is onvoorspelbaar'', zo redeneert men, ,,dus waarom zou ik me er druk over maken? Que sera, sera.'' Omdat de toekomst inderdaad steeds lastiger wordt om te voorspellen, betekent dit juist dat men meer aandacht aan de toekomst moet schenken. Een voorspelbare toekomst is een oninteressante. De moderne geschiedenis van toekomstonderzoek laat dan ook een verschuiving zien van een voorspellende naar een verkennende benadering.

De klassieke verklaring voor de geringe belangstelling van politici voor de toekomst is, dat men erg verknocht is aan de eigen regeerperiode en dat men dus niet verder wil en kan kijken dan vier jaar. Omdat veel politieke beslissingen betrekking hebben op beleidsterreinen die een langere `omloopsnelheid' hebben dan vier jaar (denk maar aan infrastructuur) kan deze korte tijdshorizon al als een probleem gezien worden. Ook de afnemende maakbaarheid van de samenleving is niet bevorderlijk geweest voor het langetermijndenken. Echter, politici gaan er ten onrechte van uit dat ze worden afgerekend op de korte termijn. Winston Churchill zei al: ,,Een politicus denkt aan de volgende verkiezing, een staatsman aan de toekomst.'' De Fortuyn-revolutie heeft juist laten zien dat burgers niet vies zijn van een politicus met visie. Juist een toekomstvisie kweekt meer begrip voor huidige maatregelen, omdat men dan inziet welk toekomstig doel hiermee gediend is. Zaak is dan wel dat die visie transparant is en begrijpelijk moet worden overgebracht. En juist dit kabinet (zie het referendum over de Europese grondwet) is daar allesbehalve sterk in.

Meer aandacht voor de toekomst en het besef dat de geschiedenis een slechte voorspeller is, geven nog geen antwoord op de vraag hoe men dan naar de toekomst moet kijken. Er is natuurlijk geen ideale toekomstverkenning. Een aantal good practices is er wel. Zo heeft de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid (WRR) vorig jaar een evaluatie gedaan van zijn eigen eerste grote toekomstverkenning in 1978. Daaruit bleek onder andere dat het belangrijk is om ruimte te geven aan mensen en organisaties met afwijkende meningen, aangezien zij wel eens de voorbode kunnen zijn van een nieuwe ontwikkeling. Helaas worden die opvattingen te vaak afgedaan als `dat zal nooit kunnen', `doe niet zo belachelijk' of `dat past niet in het beleid'. Maar wie had er vijf jaar geleden gedacht dat er in 2002 een nieuwe partij zou komen die 26 zetels zou halen bij de eerste deelname aan de Tweede-Kamerverkiezingen? Ook is het van belang om niet al te ver in de toekomst te kijken. Toekomststudies die 25 jaar vooruitkijken worden, uitzonderingen daargelaten, beschouwd als sciencefiction en schrikken daardoor af waarna ze niet door politici en beleidsmakers worden gebruikt. Ook moet een toekomststudie een uitspraak doen over kwesties die in de toekomst van belang zijn en niet alleen maar hedendaagse ontwikkelingen doortrekken. Maar helaas zegt een voorspelling of verkenning vaak meer over de tijd waarin die gedaan is dan over de toekomst.

Ook onderzoek door TNO Informatie- en Communicatietechnologie en TU Delft heeft een aantal succesfactoren opgeleverd die belangrijk zijn bij het goed uitvoeren van toekomstonderzoek. Een van die succesfactoren heeft betrekking op het `borgen' van toekomstonderzoek. Dit betekent dat een toekomstverkenning geen eenmalig evenement is maar dat politici en beleidsmakers die regelmatig en herkenbaar uitvoeren. Zo zijn managers bij Shell verplicht om in hun jaarplannen rekening te houden met verschillende toekomstscenario's. Waarom kan dat niet in de politiek? Het zou van behoorlijk bestuur getuigen als politici niet alleen verantwoording afleggen van wat ze doen en hebben gedaan maar ook over de toekomstige consequenties van hun beleid. Maar wat doen we in Nederland? Beleidsbepalers dienen af te treden op basis van fouten van hun voorganger.

Wij vragen ons oprecht af waarom er geen schoolvak `toekomst' is, zoals we ook geschiedenislessen krijgen. Kinderen wordt vaak gevraagd wat ze later willen worden en helaas leren we ze ook weer af die vraag te beantwoorden. In een dergelijk schoolvak zouden scholieren en studenten kunnen leren wat effecten zijn van bepaalde ontwikkelingen, wat mogelijke toekomsten zijn en, natuurlijk, welke rol ze zelf willen spelen in de toekomst. Immers, wie de jeugd heeft, heeft de toekomst.

Het vermogen om naar de toekomst te kijken, zo heeft de Noorse neurobioloog Ingvar al enige jaren geleden ontdekt, is bij iedereen aanwezig en waarom zouden we dat niet verder ontwikkelen? ,,Wat als?'', dient als een essentiële vraag te worden beschouwd bij het handelen van mensen en dus is enige training nooit weg. Vliegtuigpiloten brengen bijna evenveel uren door in een `echt' vliegtuig als in een flight-simulator, waar ze getraind worden op mogelijke toekomstige situaties. Maar onze premier wilde niet eens nadenken over wat er zou moeten gebeuren als de uitslag van het referendum over de grondwet een `nee' zou opleveren. Regeren is vooruitzien? Das war einmal.

Patrick van der Duin is toekomstonder-zoeker aan de TU Delft.

Hans Stavleu is toekomstonderzoeker bij TNO Informatie- en Communicatietechnologie en werkt als deeltijd lector `Toekomstonderzoek in ICT' aan Hogeschool Leiden.

    • Patrick van der Duin
    • Hans Stavleu