Vrijwilligerswerk in Birma

Dwangarbeid is een misdaad tegen de menselijkheid, maar in Birma is het de dagelijkse praktijk, zo rapporteerde Amnesty International vorige week. Een Noorse journalist wist het gesloten land binnen te dringen en sprak met ooggetuigen. ,,Als we te langzaam werkten, werden we geslagen.''

In het noorden van Birma, niet ver van China, ligt een vliegveld met de naam Nampound. Iedereen die op dit vliegveld aankomt loopt over stenen die zijn gehouwen door `T'. Op 28 maart 1996 en de 45 lange dagen die daarop volgden, hakte hij stenen, sorteerde ze, en laadde ze op de vorkheftruck. Samen met meer dan 800 andere mannen legde hij de fundering voor het vliegveld. Zo bouwde hij mee aan Birma's voortdurend groeiende infrastructuur.

`T' deed dit alles met een ketting om zijn voeten. Hij was een van de honderden strafgevangenen in het werkkamp Kyein Kharan Kha in Noord-Birma, die moesten helpen met het bouwen van het vliegveld. ,,Ik denk dat tien tot twaalf mensen stierven in de loop van de 45 dagen dat ik daar was. Een van hen werd neergeschoten toen hij probeerde te ontsnappen. De anderen stierven aan ziektes. Er waren geen medicijnen en het voedsel was heel slecht. Het was moeilijk om te overleven.''

We praten in een rustig cafeetje net buiten Rangoon. De oppositie heeft de ontmoeting georganiseerd en riskeert daarmee jaren gevangenisstraf. `T's identiteit moet mede daarom geheim blijven. Eens was hij actief in de Birmese democratiebeweging. Daarom werd hij gearresteerd door de regering. Vandaag de dag heeft hij een goede baan in de private sector en probeert politiek zoveel mogelijk te vermijden.

Maar de 45 dagen dwangarbeid hebben hem voor altijd getekend. De werkdag: ,,Opstaan om 5 uur, een klein beetje rijst eten, en dan naar de werkplek. Om 6 uur begonnen we met het werk. We hakten stenen, sorteerden kleine en grote stenen, en laadden ze op de truck. Als we te langzaam werkten, werden we geslagen. We hadden kettingen aan onze voeten, zelfs als we sliepen. Als het avond werd, moesten we met meer dan honderd man vechten om een plekje in de slaapzaal. We zaten met zijn allen boven op elkaar. Mensen sloegen en duwden om een plaats te bemachtigen. En natuurlijk het krabben. We krabden onszelf voortdurend. We zaten onder de vlooien!''

`T' lacht een beetje zuur. ,,We waren zo vies! We hadden 3 tot 5 minuten per dag de tijd om ons te wassen in de bergrivier.''

Werkstraf is maar één vorm van Birmese dwangarbeid. De meest alledaagse vorm is milder: de lokale bevolking wordt ingezet om gratis arbeid voor het leger of de overheid te verrichten.

Dwangarbeid is gedocumenteerd in een hele reeks rapporten. Een van de grondigste komt uit 1998. Daarin stellen de Verenigde Naties bij monde van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) dat het Birmese leger mensen dwingt om voor ze te werken, de wacht te houden, te bouwen en legerspullen te onderhouden. Daarnaast wordt lokale bevolking gedwongen tot het bouwen van wegen, stations, bruggen en andere infrastructuur. Mensen die niet werken krijgen een fikse boete.

Systematische dwangarbeid is een misdaad tegen de menselijkheid. ,,Een staat die aanzet tot dwangarbeid, het accepteert, steunt of tolereert binnen zijn grenzen is verantwoordelijk voor de overtreding van de internationale wet'', schrijft de ILO. ,,Ieder persoon die het verbod op dwangarbeid overtreedt, maakt inbreuk op de internationale wet en als het ook nog op een uitgebreide en systematische manier gebeurt, is dit een misdaad tegen de menselijkheid'', stelt de organisatie vast. Birma is lid van de VN en van de ILO.

Ondanks internationale veroordelingen gaat de dwangarbeid door. In zijn laatste rapport, uit november 2004, schrijft ILO's afgezant in Birma, Richard Horsey: ,,De situatie is enigszins verbeterd, maar dwangarbeid is nog steeds wijdverbreid over het hele land, en is vooral zeer ernstig in de grensgebieden waar het leger massaal aanwezig is.'' Horsey schrijft dat hij doorgaat met het opnemen van een groot aantal verslagen van mensen die dwangarbeid hebben moeten verrichten.

De ILO kreeg vorig jaar 72 rapportages over dwangarbeid. Zoals:

In het district Bago moesten sommige bewoners werken aan de weg, een ander dorpje moest elke dag tien man leveren om wacht te lopen, weer een ander dorpje moest het land klaarmaken voor de aanplant van teak.

In het het district Rakhine worden bewoners van veertig dorpjes al jarenlang gedwongen om gratis een weg te repareren. Nu moeten zij midden in de oogsttijd weer komen werken.

In het district Hinthada weigerden twee personen een aanstelling als beveiligingsbeambte, en zij werden veroordeeld tot maanden gevangenis.

Grensgebieden

Dwangarbeid is het ergst in de grensgebieden. In het binnenland vreest men het leger niet zo. De militairen dwingen mensen wel om wegen te bouwen, wacht te lopen en dat soort dingen, maar ze worden niet bedreigd met de dood. ,,In grensgebieden zijn de mensen veel banger, zij worden constant bedreigd en ze moeten werken zonder te klagen'', zegt Soe Thein Wah Wah. In de oppositie-organisatie Karen National Union houdt zij zich bezig met mensenrechten. ,,In het binnenland zien de dorpsleiders er op toe dat het werk goed gebeurt. Maar in de grensgebieden komen de militairen zelf en houden de wacht met een wapen in de hand'', vertelt zij.

Veel Birmezen groeien als vanzelfsprekend op met dwangarbeid. Soe Thein Wah Wah vertelt wat zij zelf heeft meegemaakt. ,,Na de opstand in 1988 werd mijn dorpje tewerkgesteld. Ik ging toen nog naar school, was 18 jaar, maar de school werd gesloten. Wij moesten aarde sjouwen, zodat er een weg kon worden aangelegd. Eén persoon per huishouden moest deelnemen, mensen die dat niet konden moesten betalen. Het werk duurde maanden. De dagen dat ik niet kon gaan, moest mijn zus het overnemen... Later, toen ik opgroeide en een baan kreeg als lerares in een ander deel van het land, moest de lokale bevolking daar ook werken. Toen veel studenten op een dag niet kwamen, wisten wij wat er aan de hand was: de ouders hadden hun kinderen naar de dwangarbeid gestuurd, zodat ze zelf op de boerderij konden werken.''

Wat vinden mensen van dwangarbeid?

Soe Thein Wah Wah: ,,Het militaire regime zegt dat het werk goed is voor de ontwikkeling van het land. De militairen willen aan de wereld bewijzen dat het goed gaat met het land, ze hebben veel bouwprojecten en zijn altijd bezig met nieuwe wegen en bruggen. Maar de bevolking lijdt. Zij werkt massaal zonder daarvoor iets betaald te krijgen. De regering gebruikt de mankracht en tijd van de dorpsbewoners, die armer en armer worden, omdat ze hun tijd niet voor hun eigen werk kunnen gebruiken.'' Maar hardop klagen is gevaarlijk, zegt Soe Thein Wah Wah. De meeste Birmezen zoeken dus ook géén contact met internationale organisaties. De angst voor represailles is groot.

In november 2003 werden 9 mensen gearresteerd omdat zij contact met de ILO hadden. Drie van hen – Min Kvi, Aye Myint en Shwe Mahn – werden ter dood veroordeeld wegens hoogverraad. Het bewijs was in een van de gevallen heel makkelijk: een kopie van ILO's dwangarbeidrapport en het visitekaartje van de ILO-afgevaardigde. Na internationale druk werd de straf gereduceerd, maar op `verraad' staat nog steeds een zware straf: dwangarbeid.

Ook mensenrechtenorganisatie `Earthrights International' heeft dwangarbeid gedocumenteerd. In het rapport Entrenched (2003) beschrijft zij hoe dorpjes in gedeelten van Oost-Birma systematisch mensen moeten sturen om dwangarbeid voor militairen uit te voeren. Elk dorpje moet naar een wekelijkse bijeenkomst van de militairen komen, waarin ze te horen krijgen wat ze moeten `leveren' voor de komende weken. Daarnaast eisen de de militairen ook schriftelijk mankracht, materieel en geld.

Mensen die niet voldoen aan de eisen worden bedreigd en gestraft.

Boeddhisme

De Birmese ambassade in Londen antwoordt niet op onze specifieke vragen over dwangarbeid in Birma, maar in eerdere gesprekken over dit onderwerp claimen Birmese vertegenwoordigers dat de dwangarbeid vrijwillig is. ,,Het is een boeddhistische traditie dat mensen vrijwillig werken voor hun land, omdat wij geloven dat wij worden beloond in ons volgende leven'', zei de minister voor Nationale Planning en Economische Ontwikkeling, generaal David Abel, tegen de Amerikaanse journaliste Barbara Victor die in 1998 een boek over Birma schreef. Na internationale druk op de junta in 1999 werd dwangarbeid verboden, maar weinig wijst erop dat dit verbod wordt nageleefd.

Van de 38 dwangarbeidzaken waarover de ILO vorig jaar contact met de junta opnam, reageerde het regime er op achttien. Alle achttien klachten werden afgewezen. De junta claimt dat de lokale bevolking vrijwillig het werk gedaan heeft, daartoe aangezet door `lokale enthousiaste vrijwilligers'. In andere gevallen is volgens het regime wel degelijk voor het werk betaald.

De Birmezen met wie wij praten weten zeker dat zowel de dwangarbeid als de strafarbeid niet zomaar zal stoppen. `T' noemt speciaal het steencomplex Taung Soon dicht bij Rangoon en een kamp met de naam Kabaw waar gevangenen landbouwwerkzaamheden verrichten. ,,Ik herinner me een verschrikkelijke situatie'', zegt T. ,,Twee personen probeerden te vluchten van de werkplaats. Zij werden opgepakt en voor onze ogen in elkaar geslagen. Daarna verbrandden gevangenisbewaarders hun haar en toen werden zij langs de weg getrokken. Ze hadden verschrikkelijke wonden, waren bijna dood, werden voortgesleept als beesten en spuugden bloed.''

Omdat `T' ziek was – hij kreeg difterie – werd hij na 45 dagen uit het werkkamp ontslagen. Hij zat daarna bijna 5 jaar in de gevangenis. Op 17 maart 2001 mocht hij naar huis, terug naar zijn ouders en twee zussen. ,,Het was goed om weer bij mijn familie te zijn. Maar mijn leven was niet langer veilig. Ik ben elke dag bang dat ik terug naar de gevangenis moet. Als iemand er achter komt dat ik met jou heb gepraat, word ik meteen weer naar de gevangenis gestuurd'', zegt `T'.

Nu werkt hij in het bedrijfsleven, en dat betekent dat zijn baas moet samenwerken met autoriteiten. Hoe is het om een chef te hebben die samenwerkt met het regime?

,,Wij Birmezen moeten een manier vinden om te overleven. Sommige buitenlanders zeggen dat wij lafaards zijn.''

Is hij het daarmee eens?

,,Dat is niet zo makkelijk te beantwoorden. De mensen zijn zo arm hier. Niemand heeft een goede opleiding. Men weet niet hoe men voor zichzelf op moet komen. Mensen zijn vooral bezig met hun dagelijkse levensbehoeften. Daardoor zijn ze makkelijk te sturen. Wij moeten misschien proberen hun blik wat te verbreden. Maar dat is moeilijk. Ze moeten nu eenmaal eerst zorgen dat ze voldoende te eten hebben.''

Simen Saetre is redacteur van het Noorse weekblad `Morgenbladet' en auteur van `Den lille stygge sjokoladeboka' (Het bittere chocoladeboek), over de productie van cacao in West-Afrika.

    • Simen Saetre