Natuur door mensenogen

Natuur, dat is wat buiten de invloedssfeer van de mens ligt. Uit het recent verschenen boek van de ecoloog en natuurfilosoof Mathijs Schouten (die daarnaast biologie, vergelijkende godsdienstwetenschappen, oosterse filosofie en Keltische taal- en letterkunde studeerde) blijkt echter hoe tijdgebonden deze definitie is. In zijn boek heeft hij op een rij gezet hoe in de loop der tijd de mens tegen de natuur heeft aangekeken. Dit boek is dus geen verslag van de veranderingen die zich in de natuur hebben voorgedaan, maar hoe het beeld van de natuur zoals de mens dat vastlegde in opeenvolgende historische perioden wijzigde. Schouten beperkt zich niet tot de westerse cultuur, maar behandelt ook enkele schriftloze volkeren (in Australië, Noord-Amerika en Afrika) en het natuurbeeld bij grote wereldgodsdiensten zoals hindoeïsme, boeddhisme, jodendom, taoïsme en islam.

Dit rijke boek toont op fascinerende wijze hoe het beeld van de natuur, dat bij de verschillende culturen in het begin sterk op elkaar leek, in de loop van de geschiedenis sterk uiteen is gaan lopen. Zo komt Schouten in een boeiend hoofdstuk tot de conclusie dat in de verhalen van het Oude Testament een ideaalbeeld gegeven wordt van een functionele hiërarchische ordening, waarin elk deel van het geschapene in zichzelf goed is, waarin ook elk deel zijn taak vervult en waarin tussen de verschillende delen harmonie heerst. Nimmer krijgt de mens onbeperkte vrijheid in zijn omgang met de door God geschapen planten en dieren.

Waar, wanneer en waarom is deze harmonieuze relatie tussen de mens enerzijds en de planten- en dierenwereld anderzijds zo grondig verstoord geraakt? Schouten is daar heel duidelijk over: dat de latere christelijke theologie de natuur is gaan beschouwen als geschapen voor de mens is een gevolg van de invloed die de antieke filosofie op het christelijke denken uitoefende. ``Noch Plato en Aristoteles, noch de stoïcijnen veronderstelden een morele verantwoordelijkheid van de mens jegens de natuur. De mens diende te leven in overeenstemming met de kosmische orde; maar binnen die orde was de natuur er vooral ten behoeve van de mens.''

In de beleving van veel middeleeuwers waren er talloze duistere en mensvijandige krachten in de wereld. Het demonische werd bij voorkeur verbonden met de wilde natuur. In de verraderlijke moerassen, in de wouden met hun roofzuchtige dieren of op de ongenaakbare bergen huisde Satan. Theologen lieten niet na te benadrukken dat de grillige en onberekenbare wildernis het tegenovergestelde van het goddelijke paradijs was. Overtuigend is het verband dat Schouten legt met de ontginningsactiviteiten van kloosterordes, zoals de benedictijnen en cisterciënzers, die het als hun taak zagen om de goddeloze wildernis om te vormen tot een vruchtbaar aards paradijs.

Pas tijdens de Renaissance wijzigden de opvattingen over de natuur langzaam en voorzichtig. Het is in de beeldende kunst zichtbaar: na een afwezigheid van zo'n duizend jaar keert op schilderijen het landschap terug. In het begin is dat het landschap dat de stedeling kent en vertrouwd voorkomt, zoals het Vlaamse boerenland of de lieflijke heuvels van Toscane.

In de daaropvolgende eeuwen verandert de aard en het karakter van de afgebeelde landschappen voortdurend. Op het ene moment gaat de voorkeur uit naar geïdealiseerde arcadische taferelen (veelal met herders) of ruige berglandschappen met steile rotswanden en diepe ravijnen en op andere momenten is het Hollandse laagland favoriet. Van dit laatste merkt Schouten op dat deze niet gezien moeten worden als een realistische weergave van de werkelijkheid. In zijn visie (die sterk leunt op het baanbrekende werk van Ton Lemaire) laten de schilderijen van de Hollandse Meesters een natuur zien waarin de mens zich heeft kunnen vestigen en waarmee hij in harmonie samenwerkt.

Hoe anders is het beeld van de natuur in de Romantiek. Grillig, bedreigend en desolaat doet zijn intrede. Hierna wisselen de dominante natuurbeelden zich snel af. Het verhevene maakt plaats voor het pittoreske en de realistische weergave van het landschap wint het van de geïdealiseerde natuur. Te beginnen bij de impressionisten is steeds het gevoel bepalend voor het beeld van de natuur.

In Spiegel van de natuur beperkt Schouten, die aan de universiteiten van Cork en Calway (Ierland) en in Wageningen doceert, zich niet tot voorbeelden uit de beeldende kunst. Hij haalt met evenveel gemak literaire voorbeelden aan of behandelt de opvattingen van de toonaangevende filosofen en natuurwetenschappers. Het boek dwingt respect af, zowel door het wel erg lange termijnperspectief (ruim vier millennia wereldgeschiedenis) als door de brede benadering van het thema (religieus denken, filosofie, natuurwetenschappen en cultuurgeschiedenis). Dit laatste vergt overigens ook het nodige van de lezer, maar Schouten heeft – toepasselijk in een boek over het natuurbeeld – tussen de vele bomen door (het register telt bijna zeshonderd namen) het zicht op het bos behouden.

Tot 23 oktober 2005 is in De Nieuwe Kerk in Amsterdam de door Mathijs Schouten ingerichte tentoonstelling Wereld Natuur Kunst te zien.

m.g.c. schouten, spiegel van de natuur. het natuurbeeld in cultuurhistorisch perspectief (knnv Uitgeverij / staatsbosbeheer, utrecht 2005) isbn 90 5011 206 4; 270 pagina's in full-colour; prijs 29,95 (na 2 oktober 2005: 37,95).

    • Cor van der Heijden