Met passie praten over een gelezen boek is vrijwel passé

Vroeger durfde ik mijn leraar Nederlands, Cyrille Offermans, niet tegen te spreken. Ik was er te verlegen voor. Nu ik het wel zou durven, wil ik het maar zelden. Om de eenvoudige reden dat ik het vaak met hem eens ben, en zeker waar het zijn kruistocht tegen de verdwijnende leescultuur op scholen betreft. Tijdens mijn eigen leraarschap, aan inmiddels zo'n tien scholen, van middelbaar beroepsonderwijs en gehandicaptenonderwijs tot regulier voortgezet en volwassenonderwijs is het aantal docenten dat gepassioneerd over een gelezen boek vertelde tijdens de lunch, nog steeds op één hand te tellen. Terwijl je voor het aantal docenten dat loopt te mopperen op `die jeugd van tegenwoordig', die niet meer leest en niks meer ambieert, echt meer handen nodig hebt.

Al zo vaak heb ik docenten Nederlands aangeraden met hun examenleerlingen gewoon de deal te sluiten dat zij geen leesrapporten meer hoeven te schrijven en geen leesdossiers meer hoeven aan te leggen als die boeken maar gelezen worden, maar nog nooit was er ook maar één docent die me berichtte dat-ie het er met de leerlingen over gehad had, laat staan getracht had het door te voeren. Terwijl ik er toch regelmatig naar informeerde. (Verhullen al die rapporten en dossiers misschien tevens het niet-lezen van docenten, zoals ook al die praktische opdrachten voor andere vakken veel onkunde verbloemen?) En dat terwijl ik voor mijn eigen vakken, geschiedenis en maatschappijleer, regelmatig leerlingen aan de boeken kreeg, geheel vrijwillig, van Multatuli tot dikke pillen van Dostojevski.

Van menig collega Nederlands kreeg ik daarentegen wel te horen dat ik in mijn lessen – ik heb het nu over examenklassen havo-vwo – niet zulke moeilijke krantenartikelen meer moest gebruiken, uit bijvoorbeeld NRC Handelsblad. Sterker, artikelen werden afgekeurd omdat er een drietal voor de leerlingen onbekende woorden in stond. Dat is zo ongeveer het criterium geworden in het Nederlandse onderwijs.