Jupiter en Saturnus veroorzaakten inslagen op jonge planeten

Het oppervlak van de maan, Mars en Mercurius is bezaaid met inslagkraters van uiteenlopende afmetingen. Die zijn in de loop van de tijd ontstaan door de inslag van grote objecten – planetoïden en meteorieten – uit het gebied voorbij de baan van Mars. Amerikaanse en Japanse astronomen hebben gevonden dat hierbij twee verschillende `populaties' in het spel zijn geweest (Science, 16 sept). Dat blijkt uit het feit dat de grootteverdeling van de alleroudste inslagkraters verschilt van die van de kraters die daarna ontstonden. De oudste kraters zijn door baanveranderingen van Jupiter en Saturnus ontstaan.

Al sinds langs is bekend dat de maan en de aardachtige planeten – Mercurius, Venus, de aarde en Mars – niet zo lang na hun ontstaan, zo'n 3,9 miljard jaar geleden, een waar bombardement van planetoïde-achtige objecten hebben doorstaan. Dit bombardement, dat volgens recent onderzoek slechts 10 tot 100 miljoen jaar heeft geduurd, heet het Late Heavy Bombardment (LHB). Tijdens deze periode werd het oppervlak van deze binnenplaneten voortdurend omgewoeld. Na die heftige tijden volgde een veel rustiger periode die tot nu duurt en waarin de frequentie van het aantal inslagen minstens een factor tien kleiner was dan tijdens de woelige periode.

Robert Strom en zijn collega's hebben nu een opmerkelijke tweedeling gevonden in de grootteverdeling van deze kraters op de maan, Mercurius, Venus en Mars. De aarde werd buiten beschouwing gelaten omdat de inslagkraters daar door erosie en tektoniek geen lang leven zijn beschoren. Bij de andere planeten blijkt de grootteverdeling van de oudste kraters overeen te komen met die van de planetoïden die nu in het gebied tussen Mars en Jupiter om de zon draaien. De grootteverdeling van de jongere kraters komt echter overeen met die van de planetoïden die zich periodiek in de buurt van de aarde wagen, de zogeheten `aardscheerders'.

Deze tweedeling bevestigt de theorie dat het Late Heavy Bombardment werd veroorzaakt door een baanverandering van Jupiter en Saturnus kort na het ontstaan van het zonnestelsel. Deze planeten bewogen toen als gevolg van allerlei interacties wat dichter naar de zon. Dat veroorzaakte in de gordel van de planetoïden zoveel `onrust' dat vele van hen in de richting van de zon werden geslingerd. In dat proces speelde hun grootte geen rol. Deze periode van onrust zou 10 tot 150 miljoen jaar hebben geduurd, wat goed overeenkomt met de duur van het planetoïdenbombardement. De kraters die daarna op de planeten zijn ontstaan, waren het gevolg van kleinere objecten die op een andere manier uit de planetoïdengordel wisten te ontsnappen en bij dat proces speelde hun diameter wèl een rol.

    • George Beekman