Ja zeg, zo snap ik het zelf ook niet (Gerectificeerd)

Er lopen wél structureel dingen mis in de Nederlandse rechtspraak, vindt chief scientist Ton Broeders van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). `Juristen schuiven technisch bewijs als een dichte doos door.'

Met de gebruikelijke instelling van een onderzoekscommissie kwam de nasleep van de Schiedammer parkmoord, waarbij op 22 juni 2000 de tienjarige Nienke werd gewurgd, afgelopen donderdag tot een voorlopig einde. Naast de fouten van politie en justitie verbleekte de aandacht voor een ander opmerkelijk gegeven van de zaak. Voor het eerst in de geschiedenis hadden onderzoekers van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) tegenover justitie nadrukkelijk hun twijfels geuit over het daderschap van een verdachte. Hoe nu? Bij het NFI werken biologen, pathologen, chemici. Het ligt niet op hun pad zich te bemoeien met de loop van het recht.

Was dit een incident? Of twijfelen onderzoekers van het NFI, die in opdracht van politie en justitie forensisch onderzoek uitvoeren, al langer aan de eerlijke rechtsgang en hebben ze zich nu alleen voor het eerst uitgesproken? Het is de vraag die is blijven liggen na het Kamerdebat, de vraag die de ingestelde commissie moet onderzoeken en die minister Donner (Justitie) consequent ontkennend heeft beantwoord: Is er structureel iets mis?

,,Zeker'', zegt Ton Broeders, bijzonder hoogleraar Criminalistiek aan de universiteit van Leiden en sinds 2002 chief scientist bij het NFI, een soort coach van de wetenschappers en geen lid van de directie. Ook Broeders was geschokt over het Evaluatieonderzoek in de Schiedammer parkmoord, dat afgelopen dinsdag verscheen, vooral over de manier waarop mede-slachtoffer Maikel (11) door de politie werd verhoord. Maar de conclusies van het rapport kwamen voor hem niet als een verrassing. ,,De wijze waarop justitie tot een oordeel komt, verbaast mij niet. Dat is al een aantal keren eerder gebeurd.''

Neem, zegt hij, de zaak van de vermoorde studente Mariëlla de Geus uit 2001. ,,Ook toen had een verdachte bekend. Er was geen DNA-bewijs tegen hem en het onderzoek op het lichaam was véél zorgvuldiger gedaan dan in de Schiedammer parkmoord. Toch heeft het openbaar ministerie hem vervolgd tot aan de Hoge Raad.'' In tegenstelling tot ex-verdachte Cees B. uit de zaak-Nienke, die vier jaar ten onrechte gevangen zat, werd deze verdachte uiteindelijk vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs. Wel had hij negen maanden in voorarrest gezeten. In juli dit jaar werd een nieuwe verdachte aangehouden, wiens DNA-profiel overeenkwam met sporen die op het lichaam waren gevonden. Reactie van de politie: er zijn geen fouten gemaakt.

Heeft het NFI ook in dat geval al tijdens de rechtszaak twijfels gehad over de werkwijze van het OM? ,,Ja'', zegt Broeders, ,,Het was een vergelijkbare situatie. In onze rapportage stond dat er geen sporen waren die overeenkwamen met de verdachte.''

Waren er misschien nóg meer zaken waarin die twijfels optraden?

Broeders noemt de Puttense moordzaak, waarbij twee verdachten in 2002 na zeven jaar cel werden vrijgesproken van moord en verkrachting. De zaak-Meindert Tjoelker uit 1997, een van de eerste zinloos-geweldzaken. En hij noemt zaken waarin het NFI achteraf ontdekte dat het openbaar ministerie forensische informatie ,,op een opmerkelijke manier had gebruikt – en dan zeg ik het diplomatiek''. De zaak tegen André de Vries die werd verdacht van het aansteken van SE Fireworks. De zaak-Jessica Richel, een moordzaak uit 1991.

,,In de zaak-Jessica werd een haar gevonden'', zegt Broeders. ,,Die werd vergeleken met een haar van haar stiefvader en er was een match. Het NFI concludeerde dat het `mogelijk' is dat de gevonden haar van de stiefvader is. Dat is waar, alleen zijn er nog duizenden anderen van wie de haar ook zou kunnen zijn. Je haren zijn allemaal anders. Een haar kan passen in jouw `palet', maar dan past hij ook in het palet van veel anderen. En wat doet de politie? Die maakt de stiefvader tot verdachte omdat zijn haar matcht! Dan denk ik: dat kán toch niet?''

In de zaak-Meindert Tjoelker was sprake van een schoenafdruk op het lichaam, die volgens het NFI `mogelijk' afkomstig was van een schoen van een verdachte. In dat geval koos justitie volgens Broeders de tegenovergestelde strategie. ,,Tóen zei het OM: Dat is te vaag, daar kunnen we niets mee.'' Hij wil maar zeggen: ,,Ze hebben een overtuiging en willen een doel bereiken. Dus gebruiken ze zachte conclusies al naar gelang het hun doel dient. Willen ze linksaf, dan gaan ze links. Willen ze rechts, gaan ze rechts.''

Toch is ook de tot dusver onbesproken reputatie van het Nederlands Forensisch Instituut in de Schiedammer parkmoord niet helemaal gaaf gebleven. Het NFI moet duidelijker rapporteren, schreef advocaat-generaal F. Posthumus in het evaluatie-onderzoek. Anders begrijpen de officieren en rechters het niet. En als bij het NFI grote twijfel bestond aan het daderschap van Cees B., dan had die twijfel op wat voor manier dan ook de rechter moeten bereiken.

Broeders wil best toegeven dat bij het NFI zaken voor verbetering vatbaar zijn. Maar als hij dat doet, volgt steevast een maar. ,,Maar mijn stelling is dat het structurele probleem niet bij de deskundigen zit, maar bij de juristen.'' ,,We kunnen proberen betere rapportages te schrijven, maar dat vereist bij de lezer wel een minimum aan kennis''.

Vindt u dat forensische kennis bij officieren en rechters ontbreekt?,,Over het geheel genomen wel. En omdat ze in toenemende mate besluiten nemen op basis van technisch-wetenschappelijk bewijs, móeten ze daar meer verstand van krijgen. Voor mij is het onbegrijpelijk dat juristen niet leren hoe ze natuur-wetenschappelijk bewijs moeten interpreteren, dat dat geen onderdeel is van hun opleiding.

Hoe gaan rechters en aanklagers in het algemeen om met forensisch bewijs?

,,Juristen schuiven technisch bewijs als een dichte doos door. Als je een arrest ziet, en je vergelijkt dat met het deskundigenrapport waarop het is gebaseerd, dan blijkt vaak dat daar nauwelijks in gekeken is. Het is niet te kwader trouw, maar wel verkeerd.

,,Je ziet ook dat ze het vaak niet goed begrijpen. Als je als deskundige op een zitting bent, zit daar een griffier die opschrijft wat je zegt. Het verslag daarvan zie je als deskundige niet. Als ik het een keer toevallig wel zie, denk ik: Ja, zo snap ik het zelf ook niet.

,,Als officieren en rechters eenmaal een overtuiging hebben, zijn ze geneigd de rapportage te gebruiken om de zaak dicht te timmeren. Ik was verbaasd dat Cees B. in de parkmoord werd veroordeeld met het rapport dat er lag. Er was geen enkel bewijs tegen hem. Er waren in elk geval twee DNA-sporen die op een derde persoon wezen, het signalement klopte niet. Rechters zijn te veel geneigd te denken: dit is het dossier van het OM, daar doen we het mee. Ze hebben een te passieve houding. Als de officier een crime fighter is, zonder interesse in bewijs dat ontlastend is voor zijn verdachte, dan is dat heel gevaarlijk.''

Zou meer forensische kennis kunnen leiden tot minder tunnelvisie?

,,Dat weet ik niet. Maar als er meer kennis bij justitie is, kan een gebrek daaraan in ieder geval niet meer als excuus gebruikt worden.''

Bent u het ermee eens dat ook NFI-onderzoekers in de Schiedammer parkmoord fouten hebben gemaakt?

,,Bij de parkmoord waren we – voor het eerst in zo'n belangrijke zaak – aangewezen op de LCN-methode. Daarmee kun je met heel weinig sporenmateriaal toch een DNA-analyse doen. Maar het risico van die methode is dat je niet-reproduceerbare, onbetrouwbare DNA-kenmerken vindt. Over zulke zwakke sporen kun je van mening verschillen. In deze zaak vond één onderzoeker ze wel voldoende reproduceerbaar, en dus betrouwbaar genoeg om te rapporteren, en de ander niet. Wie gelijk had, moet je niet zeggen met de kennis die je nu hebt, dat is niet eerlijk. Maar de twijfel over de verdachte had in het rapport moeten staan. Als deskundige moet je iedere twijfel rapporteren.''

Het tv-programma Netwerk heeft onthuld dat de betreffende onderzoeker, voormalig NFI-deskundige Eikelenboom, in cursussen naar buiten heeft gebracht dat deze omstreden sporen toch wezen in de richting van een dader, een ander dan Cees B.. Wat vindt u daarvan?

,,Ten eerste weet ik nog steeds niet bij welke bijeenkomsten hij dat heeft gedaan, ik heb nog niemand gesproken die erbij was. Netwerk liet een tabel zien die suggereert dat de omstreden sporen wèl betrouwbaar waren. Maar ik weet niet op welk moment die tabel is geproduceerd. En in die tabel waren ook niet de oorspronkelijke ruwe data te zien, die je wel nodig hebt als je wilt aantonen dat het om reproduceerbare sporen ging die in bepaalde richting wezen, zoals Netwerk suggereerde.''

Waar moet een deskundige met zijn twijfels naartoe?

,,De twee deskundigen die de parkmoord onderzochten zeiden allebei, ondanks hun verschil van mening over technische details: Dit is niet goed. Die man moet niet veroordeeld worden. Maar dat is een zaak van de rechter. Dus wat doen ze? Ze gaan met de directeur praten, met de procureur-generaal, buiten de gangbare kanalen om. Dat is natuurlijk helemaal verkeerd. De rechter moet alle informatie hebben. Daar hadden ze naartoe moeten gaan. Of ze hadden een rapport moeten schrijven waarin ze die twijfel neerlegden. Maar het is voor een deskundige een hele stap hoor, om zo'n rapport te gaan schrijven. Hij spreekt zich dan uit over een vraag die eigenlijk uitsluitend aan de rechter is.''

Wordt dat nu beleid: bij twijfel, schrijf een rapport?

,,Het is duidelijk dat de twijfel naar de rechter toe moet. Alleen, in het Nederlandse systeem is het het openbaar ministerie dat die twijfel naar de rechter toe moet brengen. Je moet rapporteren aan het OM.''

Zijn er mogelijkheden voor het NFI om buiten het OM om te handelen?

,,Wij zouden veel liever rapporteren aan de rechter-commissaris [die het gerechtelijk vooronderzoek leidt, red.]. Die zit in principe in een betere positie, namelijk dezelfde als de rechter. In deze zaak had men, achteraf gezien, de telefoon kunnen pakken en even kunnen bellen met de rechter-commissaris: Ik zit met een probleem en denk erover om het op papier te zetten.''

Het NFI doet onderzoek op verzoek van politie en justitie. Kan het NFI-onderzoek zo bijdragen aan het ontstaan van een tunnelvisie? Een officier kan natuurlijk alleen de sporen laten onderzoeken die relevant zijn voor zijn theorie.

,,Dat kan, maar bij dit type delicten begint het onderzoek vaak met een intakegesprek met de officier, iemand van de technische recherche en de NFI-onderzoeker. Je bepaalt in overleg wat prioriteit heeft, welke scenario's nagelopen worden, wat je gaat onderzoeken. Je kunt nu eenmaal niet alles onderzoeken.

,,Wat niet juist is, is dat er later in het onderzoek bijna geen contact meer is met de tactische recherche. Tactisch rechercheurs nemen de beslissingen, maar zij praten niet met de deskundigen. Aan de andere kant moet een deskundige ook niet te veel van de zaak afweten. Dan kan hij ook slachtoffer worden van tunnelvisie.''

Hoe wordt gekozen welke zaken wel en welke niet op sporen worden onderzocht?

,,Daar zijn geen harde, wetenschappelijke criteria voor. Taekema (de advocaat van Cees B. red.) heeft gezegd: als we al die blikjes [bij het bankje waar de uiteindelijk bekennende dader Wik H. op heeft gezeten, red.] hadden bemonsterd, was Wik H. er eerder bij geweest. In dit geval was dat een redelijk idee. Maar advocaten hebben de neiging uitermate onzinnige vragen te stellen. Als je advocaten ongelimiteerd zou toestaan te onderzoeken, zal een deskundige soms zeggen: ik kan dit niet onderzoeken, het is onzin. Dat levert problemen op, want dan krijgt de deskundige het verwijt dat hij partijdig is. En nog een bezwaar: sporenonderzoek kost ook tijd en geld. Een sporenonderzoek kost duizend euro per stuk. Dat mag het argument niet zijn, maar onderzoek naar honderd van die dingen loopt in de papieren.''

Bij een zaak als de parkmoord spelen tijd en geld toch geen rol?

,,Als een deskundige vindt dat er rare dingen gebeuren, moet hij natuurlijk de poot stijf houden. Maar als wordt gezegd er is ook nog een bankje en er liggen wat blikjes omheen... Je kunt niet het hele park doen. Op een blikje vind je wel vaak een spoor of profiel. Maar heeft dat iets te maken met het delict?''

Bij de Schiedammer parkmoord werd niet één DNA-spoor van verdachte Cees B. gevonden op de plaats van het misdrijf. Je zou zeggen: dat wijst op zijn onschuld. Maar in haar requisitoir noemde de officier van justitie het een bewijs van daderschap: alleen de dader weet dat hij geen sporen heeft achtergelaten.

,,Ik vond dat buitengewoon merkwaardig. Ik vind: absence of evidence is wel degelijk evidence of absence.''

Heeft het NFI dát duidelijk genoeg gerapporteerd?

,,Wat er gebeurd is in de zitting, is dat het OM twee sporen, op de linkerlaars en in het nagelvuil, heeft weggepoetst. Duidelijk was dat ze niet afkomstig waren van Cees B.. De officier heeft aan de NFI-deskundige gevraagd: is dit per se een daderspoor, kan het niet van iemand anders zijn? Daar heeft die deskundige niet systematisch onderzoek naar gedaan, dus die vraag kan hij niet met zekerheid beantwoorden. Achteraf gezien had hij kunnen zeggen: Waarom verzamel je nagelvuil? Niet om te kijken hoe schoon iemands nagels zijn, maar omdat je denkt dat je daar een daderprofiel kunt vinden.''

Is de Schiedammer parkmoord voor het NFI aanleiding om dingen te veranderen?

,,In het rapport staat dat er duidelijker gerapporteerd moet worden. Daar ben ik het volstrekt mee eens. Aan de andere kant hebben we ook zoiets als doorlooptijden – justitie vindt dat het allemaal zo lang duurt. De tendens is juist om verkort te rapporteren.

,,In ieder geval is belangrijk dat alle communicatie over een zaak wordt vastgelegd, en dat je rapporteert wat je wel, en wat je niet onderzoekt.

,,Verder moeten we instellen dat in moeilijke zaken een rapport niet alleen wordt geschaduwd door een mede-deskundige, maar dat ook bijvoorbeeld de chief scientist het rapport nog eens bekijkt. Die is niet bij het onderzoek betrokken en staat dus onafhankelijker ten opzichte van het OM. Dat is een concrete maatregel die er waarschijnlijk zal komen.''

Welke andere oplossingen ziet u voor de structurele problemen?

,,Je zou de rapportages ter beschikking kunnen stellen van de advocatuur. Andere oplossingen zijn extremer. Je kunt het hele NFI onderbrengen bij, ik noem maar wat, de Raad voor de Rechtspraak [de overkoepelende organisatie van de gerechten, red.]. We hebben nu een aantal zaken ernstig mis zien gaan, je zou kunnen zeggen dat daar aanleiding voor is. Aan de andere kant is het ook belangrijk dat je nauw blijft samenwerken met de mensen die de opsporing doen.''

Of het NFI privatiseren, zoals een aantal advocaten heeft voorgesteld?

,,Ik vraag me af of dat het probeem oplost. Dat roept ook geldpomperij op; de politie moet haar aanvragen gaan budgetteren. Binnen de rechterlijke macht geeft men de voorkeur aan de situatie zoals die nu is.''

Rectificatie

In het kader Het DNA -bewijs in de zaak-Nienke (17 september, pagina 41) staat dat het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) slechts DNA -analyses van twee sporen aan justitie rapporteerde. Dit is niet volledig. De andere drie sporen zijn wel in de rapportage opgenomen, maar daarbij is niet vermeld dat DNA van `een derde persoon' was gevonden. Daarvoor gaf de DNA -analyse van deze sporen namelijk te onduidelijke resultaten. In de conclusie van de NFI-rapportage zijn daarom slechts twee sporen genoemd. In het kader Wat werd wanneer over het DNA -bewijs gezegd? (pagina 42) staat dat het tweede gesprek tussen NFI en openbaar ministerie op 10 juli 2002 plaatsvond. De juiste datum is 10 juli 2001.

    • Hester van Santen
    • Joke Mat