Het nieuwe album van dEUS: spelen als God in Vlaanderen

Joost Zwagerman is jaloers op België: waarom kan geen Nederlandse popgroep wat het Belgische dEUS wél kan? Maar in elk geval is er geen sprake van een impasse in de pop

België vormt nu al meer dan een decennium een schatkamer van geweldige bands en bandjes die wereldacts zouden zijn geworden als hun standplaats niet Antwerpen maar Manchester of New York was geweest: van Novastar, Zita Swoon, Millionaire, via Mauro and the Grooms tot en met Vive la Fète en Admiral Freebee. Opmerkelijk veel van deze namen zwermen als satellieten rond de planeet dEUS, op afstand de beste popgroep die Belgîë ooit heeft voortgebracht. Vaak zijn die satellieten ook letterlijk voorgekomen uit dEUS, doordat mensen uit de band stapten en hun eigen groep begonnen, met als meest tot de verbeelding sprekend voorbeeld bassist Stef Kamil Carlens, die na zijn dEUS-jaren de ook al zo overrompelend goeie band Zita Swoon tevoorschijn toverde.

Al die personeelswisselingen in dEUS droegen ertoe bij dat een internationale doorbraak meer dan eens nét werd verhinderd of gefnuikt. Zó veel en vaak is dEUS van samenstelling veranderd dat de groepsnaam in essentie een vignet is voor het gezelschap muzikanten dat voorman Tom Barman per album om zich heen verzamelt – en vaak ook weer van zich afstoot, om welke redenen dan ook. Uit die vele wisselingen van de wacht kan de keuze van Tom Barman worden verklaard die hij in Zomergasten maakte voor een fragment uit een documentaire over Metallica. Dat is bepaald geen band waarmee Barman erg veel affiniteit zal hebben. Maar het fragment, waarin de Metallica-ego's Lars Ullrich en James Hetfield een soort popbandgroepstherapie ondergingen met allerlei nóg hoger oplopende ruzies tot gevolg, had in Barmans ideale tv-avond de functie van een versluierde zelfexplicatie: kijk, zo kan het toegaan in een band, zó hoog lopen de spanningen op als je tijdens tournees en studio's maanden op elkaars lip zit, zodat het onvermijdelijk wordt dat botsende belangen, plannen en inzichten een band langzaam uithollen.

Eveneens in Zomergasten liet Barman iets los over de singer-songwriter's-block die hem als bij toverslag overviel. Die blokkade is een van de redenen dat nu pas, zes jaar na het voor Barmans doen introverte en toegankelijke The Ideal Crash, een nieuw dEUS-album verschijnt. Pocket Revolution heet het, en het is overweldigend sterk. Tot de nieuwe line-up van dEUs behoort Mauro Pawlowski, die ándere tovenaarsleerling die een sleutelplositie inneemt in de Vlaamse popwereld. Barman en Pawlowski in éen band, dat is alsof Brian Wilson na zoveel jaar de Beach Boys heropricht en hij Paul McCartney bereid vindt deel uit te gaan maken van de Beach Boys-nieuwe stijl.

Luisteren naar Pocket Revolution maakt zielsgelukkig – en dus ook wel een tikje jaloers. Waarom kan geen Nederlandse popgroep wat het Belgische dEUS wél kan? Als pop voetbal was, dan lag het Nederlands elftal, spelend tegen de Rode Duivels, nu al tien jaar lang wanhopig in de touwen, zoveel spannender is sinds begin jaren negentig de Vlaamse popmuziek in vergelijking met de Nederlandse.

Konden Barman en de zijnen op eerdere albums bij vlagen nog wel eens vervallen in een cursus `Zelf Zappa Worden', op Pocket Revolution zitten alle nummers strak in het pak. Uit alles wat Tom Barman, ooit begonnen als straatmuzikant die nummers van Joni Mitchell en Nick Drake zong, op dit album neerzet, blijkt dat hij allerlei eigenschappen en bijzonderheden van bewonderde voorgangers niet met een postmoderne knipoog heeft toegeëigend maar echt heeft verinnerlijkt en doorlééfd. Tom Barman heeft niet uitsluitend secuur naar Captain Beefheart geluisterd, nee, hij is – met excuses voor het softe jargon – door Beefheart heengegaan, en met evenveel ziel en zaligheid ook door de Pixies, Velvet Underground, Jimi Hendrix, de Violent Femmes, Sonic Youth en nog veel grootheden meer.

Dat zijn de minsten niet, en met zulke grootheden als referentiekader is het niet zo heel verwonderlijk dat op een gegeven moment een writer's block opdoemt. Maar geduld is in dit geval inderdaad een schone zaak. Inmiddels trilt overal op Pocket Revolution die doorleefdheid mee, zonder dat – en dat is het ontzagwekkende mirakel – dEUS ook maar ergens aan welke andere band dan ook doet denken, want vanaf nu is dEUS het soort band waar anderen op willen gaan lijken. Alles is er, op Pocket Revolution. Mauro laat zijn gitaar vanaf de hypotiserende openingstrack `Bad Timing' gemeen snerpen alsof het 1976 en er een Vlaamse crosstown traffic moet worden bezworen; Barman zingt, lispelt, bromt, teemt, croont en gromt. Het resultaat is ontzagwekkend zonder dat de band nadrukkelijk wil imponeren, zo naturel, sexy en soms verraderlijk achteloos klinken alle nummers, die tegelijkertijd tot in iedere uithoek van iedere song hyperintelligent in elkaar steken. Dat is het wonder van dEUS: de band appelleert aan het verstand en betinkelt tegelijkertijd het hart. Hoogbegaafdheid gaat hier hand in hand met een peiling van de immer droevige ziel. Sluitstuk is het al wat oudere elegische `Nothing Really Ends', waarin Barman laat horen wat hij óók kan, afgezien van zijn zwak voor Beefheartiaanse artnoise: ademafsnijdend mooie liedjes maken.

In de media in Vlaanderen bereikt de geestrdift over de wederopstanding van dEUS inmiddels een naar roes neigende intensiteit. De Vlamingen hebben een genie binnenboord! `Padre dEUS' kopt het nieuwe maandblad Deng, met op het omslag Barman met een – gefotoshopte – doornenkroon. Humo zegt het nog directer: dEUS is God. En het mag, natúúrlijk mag het, want minder dan deze aanbidding verdient Barman niet. Onderga Pocket Revolution en weg is het cynisme over een impasse in de pop, over bloedarmoede met als effect het eeuwig variëren op iconen uit de pophistorie. Je hoeft je niet neer te leggen bij het cliché dat Tom Waits en Nick Cave de grenzen van de in eigen vlees snijdende albums voor eens en altijd hebben verkend. Er is nog genoeg te doen na de Velvets, na de Gang of Four en Sonic Youth, er zijn nog terreinen onverkend en plaatsen oningevuld, er kunnen nog albums worden gemaakt die je de opwinding bezorgen iets nieuws en dwingends en slims en ongehoord doortimmerds te horen. In variatie op het bekende adagium van E.M. Ciorian over God en Johann Sebastian Bach: God heeft heel veel aan Tom Barman te danken.