De malaise van Duitsland is de malaise van Europa

Europa lijdt aan een identiteitscrisis. Waarom richten we ons zo op de VS terwijl de verkiezingen in Duitsland fundamenteel zijn voor Europa? Als het de toekomstige bondskanselier lukt om economische groei te verwezenlijken in combinatie met duurzaamheid, kan heel Europa hiervan profiteren. Zo niet, dan is ons mondiale voorland Amerika.

In de belevingswereld van de doorsnee Europeaan is Duitsland ver weg. Amerika is dichtbij. Of je nu in Stockholm of in Lissabon op het vliegveld zit te wachten, een conversatie met de wachtende buur over iets Amerikaans kan altijd. Het proces-Michael Jackson is bekend, over de burgemeester van New Orleans zijn er gedeelde impressies – Amerika is als een flatscreen waar we in Europa allemaal elke dag langslopen. Een televisiecorrespondent vanuit Amerika is in vele Europese landen inmiddels een nationale bekendheid, media-inkopers en televisiebabbelaars grasduinen dagelijks in de Amerikaanse attributenkast van nieuws en vermaak. Terwijl Europese landen via hun bureaucratieën in Brussel steeds nauwer met elkaar verweven zijn geraakt, is in de belevingswereld van de dagelijkse impressies de eigen Europese omgeving steeds verder weg aan het raken.

Dit is tot op zekere hoogte een bizar neveneffect van de mondialisering van media en vermaak. Verkiezingen en andere maatschappelijke gebeurtenissen in belangrijke Europese landen krijgen weliswaar gepaste aandacht en serieuze kranten maken er ook serieus werk van, maar over het geheel genomen blijft het obligaat en ver weg. Zo kun je een beetje zappend elke avond wel ergens op een Europees televisiekanaal iemand horen die zich zorgen maakt over George Bush, maar verhitte discussies over wat er in Duitsland gebeurt zijn zeldzaam. Vanuit Nederlands perspectief blijft dat rationeel beschouwd wonderlijk want wat er in Duitsland de laatste jaren is gebeurd, is zorgelijk, ernstig en het raakt een land als Nederland zeer. En bovendien zou ook nog enige beïnvloeding mogelijk zijn.

In die zin zet het flatscreen Amerika eigenlijk iedereen op het verkeerde been: we lijken steeds meer naar de buitenwereld te kijken en keren steeds meer in onszelf. Nederland is daar niet uniek in, het verschijnsel is een wezenlijk onderdeel van het dilemma genaamd Europa.

Toch is de malaise van Europa in de kern vooral de malaise van Duitsland. Het land is de vierde economie van de wereld, is goed voor meer dan een kwart van het bruto Europees product, het belichaamt vele dierbare sociaal-economische tradities, ligt in het geografische centrum en het gaat gebukt onder angst voor de toekomst. Omgekeerd, als Duitsland weer vleugels zou krijgen, dan krijgt Europa thermiek. Geen land is in Europa zo cruciaal voor de perspectieven van het hele continent.

Duitsland was na de oorlog opgebouwd op basis van een sociale markteconomie. De vooroorlogse elite was destijds met Hitler de afgrond in verdwenen en de communisten zaten aan de andere kant van het prikkeldraad. De Bondsrepubliek werd het land van de middenklasse en van het harmoniemodel, met werkgevers en vakbonden die doordrenkt waren van een democratisch verantwoordelijkheidsbesef. Matiging was het trefwoord. Er werd hard gewerkt, niet gestaakt en geleidelijk aan ook goed verdiend. Voortbordurend op vroeger werd Duitsland een land van industriële dynamiek en technologische vernieuwing en op een goed moment was het inkomen per hoofd van de bevolking er hoger dan waar ook in Europa. Daaraan kwam pas in de loop van de jaren tachtig een eind en dat werd vervolgens door de hereniging, met zijn geweldige financiële injecties, en door het uitzonderlijke carnaval van de wereldconjunctuur in de jaren negentig ook nog eens een decennium gemaskeerd. Dat is allemaal voorbij.

Al jaren geleden is het land een soort geblokkeerde samenleving geworden. Gemeenschapszin valt weg en verbittering tast er omgangsvormen aan. Neem zomaar een voorbeeldje van afgelopen week: de directeur van de posterijen denkt hardop na over de wenselijkheid om niet alle CAO's automatisch verbindend meer te verklaren. Prompt reageert de voorzitter van zijn ondernemingsraad met een stakingsdreiging en blokkeert de geplande overname van een Engels postbedrijf. Dat lijkt een kleinigheid maar het is illustratief voor een diepe breuk. Immers, in het Duitse model besturen werkgevers en werknemers samen voor een groot deel een onderneming, dat kan alleen op basis van wederzijds vertrouwen, enige discretie en goed overleg.

Dit soort dingen vind je in Duitse kranten meestal onder de sector kleine berichten, want het is alledaags geworden. In vergelijking met enkele decennia geleden, getuigt het van een politieke culturele omwenteling van de eerste orde. Harmonie en sociale markteconomie hebben plaatsgemaakt voor polarisatie en diep wantrouwen. Het eertijds unieke systeem loopt hiermee vast.

Het is gemakkelijk om te constateren dat dit het gevolg is van almaar uitgestelde hervormingen, maar dat vraagt op zijn minst om een nadere verklaring. Anders dan Nederland heeft Duitsland een diep gewortelde industriële samenleving en cultuur. Bij Made in Germany denk je aan producten, niet aan diensten. Vele bedrijven hebben tot op de dag van vandaag hun personeel beschouwd als deel van de familie, met bedrijfsscholen, bedrijfsverenigingen, bedrijfswijken en alles wat daar aan geborgenheid bij hoort. Vakbonden zijn in hun instinct en intuïtie dan ook industriebonden die in de teloorgang van arbeidsplaatsen inderdaad alleen verval en bedreiging zien. En het gaat ook na die maskerende conjunctuur boom van de jaren negentig hard in Duitsland. Alweer tienduizend arbeidsplaatsen weg bij Volkswagen, misschien nog eens zoveel bij Mercedes, enkele duizenden bij IBM – het zijn de getallen die elke maand weer, en nu al vele jaren, op 's lands gemoed beuken.

En wat is het perspectief? Het is organisatiedeskundigen, politici of werkgevers tot de dag van vandaag niet gelukt een geloofwaardig en lonkend perspectief te schilderen voor alle mensen in de industriële sector. Daar ligt voor de politiek de taaie en tot de dag van vandaag onopgeloste kern van het probleem: hervormingen heten nodig te zijn om de welvaartsstaat toekomstbestendig te maken, maar hoe ziet deze samenleving er dan straks uit? Blijft er nog iets van het Rijnlandse model over of verglijdt het land simpelweg in de richting van een hardvochtig individualisme? Hoeveel regie kan een overheid hierin eigenlijk nog blijven voeren? Zijn alle mooie verhalen eigenlijk niet gewoon een ingewikkelde omweg om te zeggen dat het allemaal alleen maar minder gaat worden?

Van de politiek verwacht niemand nog een inspirerend antwoord op deze vragen. Het overgrote deel van de kiezers heeft wel een voorkeur voor de ene of de andere partij, maar bijna niemand verwacht overigens dat het ook maar iets zal uitmaken voor de staat van de natie. Schröder of Merkel – dat maakt voor de grote vragen van deze tijd niets uit, het vertrouwen in de politiek is gering geworden. Zo blijkt nu al een reeks van jaren uit kiezersonderzoek.

Dat er iets moet gebeuren, begrijpt iedereen wel, maar zolang het land geen armenhuis is – en dat is het niet – en een aantrekkelijk en geloofwaardig perspectief ontbreekt, biedt remmen en vertragen van hervormingen altijd nog meer zekerheid op de korte termijn dan meeveren met hervormingen. Ook al is het niet verstandig en ook al is het kortzichtig.

Het land kent derhalve vele miljoenen remmers – mensen die voor elke microfoon belijden dat hervormingen gewenst zijn, net als flexibiliteit, maar die ondertussen de boot afhouden. Dat remmen wordt nog eens versterkt door de demografie. Duitsland is, op één na, het land met de meest vergrijzende bevolking in de Europese Unie en kent derhalve een grote groep 45-plussers. Voor hen heeft flexibiliteit vooralsnog weinig aantrekkelijks in petto en is het remmen – naar het onuitgesproken motto: het zal mijn tijd wel duren – zeer verleidelijk. Daar komen dan nog eens 12 miljoen remmers bij in de vroegere DDR. Het dynamische deel van de jeugd is daar inmiddels goeddeels vertrokken en de achterblijvers worden van hervormingen voorlopig niet wijzer. De verleiding om er in DDR-nostalgie van sociaal-economische geborgenheid te vluchten is er navenant groot.

Het is fair om ook vast te stellen dat aanpassingen behalve soms pijnlijk vaak ook moeilijk zijn. Nemen we bijvoorbeeld Martin Kinkelin uit een dorp vlakbij Schweinfurt, in het zuiden. Hij is eigenlijk een ideaal rolmodel voor alle predikers van moderne flexibiliteit. Biologie gestudeerd, zich daarna om- en bijgeschoold voor de IT-arbeidsmarkt. De laatste negen jaar werkte hij bij IBM en bewaakte computersystemen in de hele wereld. Er waren voortdurend cursussen met life long learning als vanzelfsprekende werkelijkheid, het werk was razend interessant, veel internationale contacten ook, met veel leergierige jonge studenten, ook uit Oost-Europa. IBM maakte een mooie winst met 250 medewerkers bij Schweinfurt. Over Martin Kinkelin was IBM zeer tevreden, hij verdiende zo'n 2.500 euro netto per maand, had een aardig huis inmiddels met vrouw en drie kinderen. Maar over een maand gaat Schweinfurt dicht en staat hij op 44-jarige leeftijd op straat, het werk neemt een 26-jarige jongeman over vlakbij Szekesfehervar, in Hongarije. Voor 400 euro netto per maand, met uitzicht op 800 euro de komende jaren. De jonge Hongaar is tevreden daarmee en vindt het werk boeiend. Veel beter dan de domme emballage van computers. Veel internationale contacten, zelfs leergierige jonge mensen uit India, en ook vol vertrouwen dat hij zijn baan blijft houden, want IBM steekt veel geld in zijn verdere opleidingen.

Het weekblad Die Zeit is een paar maanden geleden bij het IBM-hoofdkantoor eens gaan navragen hoe dat eigenlijk zit. Maar IBM houdt de kaken stijf op elkaar met een paar dooddoeners over ,,efficiency, competitief werken en het tevreden stellen van klanten''. Dat is jammer, want de vraag blijft uiteindelijk toch, wat heeft deze Martin Kinkelin nou eigenlijk verkeerd gedaan? Wat kan een ander hiervan leren?

Voor een land dat zijn zelfvertrouwen mede heeft herwonnen uit het samengebalde vermogen van zijn technici, zijn ingenieurs, zijn zulke effecten van globalisering angstaanjagend. Want wat is het antwoord, welk soelaas biedt versobering, bieden de hervormingen van Agenda 2010?

Het gevolg van zoveel scepsis en argwaan is niet alleen verbittering. De minachting en hoon van het publiek jegens de politiek, jegens de hele maatschappelijke elite, is groot. Voor een democratie is dit een moeizaam proces. De politieke cultuur is de laatste halve eeuw vereenzelvigd met toename van welvaart. Natuurlijk was er altijd strijd over de verdeling, maar het was toch altijd strijd over de vraag, wie krijgt meer en wie het meest? De gemiddelde groei in de jaren vijftig was 8 procent per jaar, zoiets als China nu, en is langzaam teruggelopen tot de huidige 1 à 2. Politieke en maatschappelijke organisaties zijn in wezen totaal onvoorbereid om de remweg na vijftig uitzonderlijke groei-jaren (hoogst uitzonderlijk in vergelijking met de daaraan voorafgaande vijfhonderd jaar) in goede banen te leiden.

Tegen zo'n achtergrond zijn er in Duitsland weer verkiezingen en bestaat de serieuze kans dat er morgenavond weliswaar volop polit-drama op de Duitse televisie zal zijn, maar dat de werkelijke betekenis ervan voorlopig een vraagteken blijft.

Hoe gaat Gerhard Schröder, als hij zou worden herverkozen, deze problemen aanpakken? En, misschien nog belangrijker, hoe heeft hij voorheen de effecten van de globalisering aangepakt? Het is maar de vraag of de Duitse bondskanselier het vertrouwen van de kiezer zal winnen, want in plaats van hervormingen door te voeren, heeft Schröder de afgelopen jaren vooral ruimte gegeven aan zijn talent als een populistische en ietwat postmoderne stuntman. Het is de bondskanselier tot nu toe nog niet gelukt om treffende maatregelen te nemen om de Duitse verzorgingsstaat af te slanken, marktwerking te stimuleren en tegelijkertijd moderne vormen van lotsverbondenheid te creëren. Dit heeft geresulteerd in een halfslachtig politiek beleid. Anderhalf jaar geleden lanceerde hij een hervormingsprogramma, waarbij aan alle kanten de steun ook nog verbrokkelde. Een paar jaar eerder, toen hij net bondskanselier was, heeft hij kortstondig geflirt met de Derde Weg van Tony Blair. Maar bij nader inzien ontdekten de Duitsers dat Groot-Brittannië een onaantrekkelijk sociaal voorbeeld voor hen was. De Thatcher-maatschappij, waar premier Blair wel mee is gevaren dankzij een begaafde marketingsaus van compassie maar zonder verder veel aan het systeem te veranderen, was voor Duitse sociaal-democraten – en trouwens ook voor de christen-democraten – een onbegaanbare weg.

Ook in zijn relatie met het buitenland heeft Schröder geen betrouwbaar imago opgebouwd. Zo heeft hij vijftig jaar Duitse voorspelbaarheid met groot gemak het raam uit gegooid. Vanaf het zagen aan de poten van de onafhankelijke Europese Centrale Bank in het begin van zijn kanselierschap, het luchthartig negeren van het stabiliteitspact, tot aan de voor Polen en andere Oost-Europese EU-landen weinig vleiende deal vorige week met zijn Russische vriend Poetin over een gasleiding – telkens weer heeft Gerhard Schröder zich al die jaren laten zien als een leidsman die het, omwille van beperkt binnenlands opportunisme, met de Europese verantwoordelijkheid niet zo nauw neemt. Dat hem daarvoor in eigen land nooit een politieke rekening is gepresenteerd, is illustratief voor het Duitse klimaat van malaise en preoccupatie met het binnenland.

Maar wat zijn intussen de kansen van zijn politieke tegenstander, CDU-leider Angela Merkel? Zij leek zo vlotjes te kunnen winnen met de simpele, van Clinton afgekeken vraag aan de Duitse kiezer: bent u nu beter af dan zeven jaar geleden? Maar in plaats daarvan wordt het volgens laatste peilingen nog spannend en is er een serieus risico van een patstelling. Dan is Schröder weliswaar weg, maar veroordeelt de kiezer het eigen land voorlopig tot, meer dan tot nu toe, doormodderen.

Op zichzelf zou een heldere wisseling van de wacht de beste kansen bieden op een revitalisering, maar garanties zijn er niet. De christen-democratie is, ondanks ferme taal, een middenpartij met een aanhang die in grote meerderheid hecht aan de aloude sociale markteconomie. Een waterproof variant voor de postindustriële samenleving heeft ook de christen-democratie nog niet gevonden. Angela Merkel heeft zich weliswaar een kleine flirt met een grote systeem-ingreep veroorloofd de afgelopen weken, maar dat is nou net ook weer wat haar morgen nog de kop kan kosten. Het gaat om de 62-jarige Heidelbergse professor Paul Kirchhof die een radicale flat tax propageert en nu ineens minister van Financiën zou moeten worden in een CDU-kabinet. Zoals Schröder drie jaar geleden niet zozeer tegen Edmund Stoiber als wel tegen George Bush (Irak) verkiezingscampagne voerde, doet hij het nu niet zozeer tegen Merkel als wel tegen `die Heidelbergse professor'. Deze arme man loopt, totaal niet gewend aan wat hem allemaal overkomt, al een paar weken als verdoofd door het Duitse medialandschap.

Vanuit het perspectief van vele economen voert de Duitse samenleving een bitter, langdurig achterhoedegevecht. Alle statistieken zenden dezelfde boodschap uit: het Rijnlands model is dood. Maar voor de grote politieke partijen in Duitsland ligt dat anders: zij moeten uiteindelijk de ambitie hebben om de maatschappelijke orde in zekere zin opnieuw te definiëren in een globaliserende wereld. Aanzetten zijn er hier en daar wel: Duitsland kent geen zware neoconservatieve onderstroom, in het milieu van denktanks en universiteiten komen wensen bovendrijven om economische slagkracht te herwinnen zonder lotsverbondenheid te verspelen, om economische groei te verwezenlijken in combinatie met duurzaamheid. Van zoiets zou heel Europa kunnen profiteren, dat zo zichtbaar worstelt met een uitweg uit het duivelse dilemma van mondialisering op zijn Amerikaans en behoud van eigen geestesmerk. Volgens de wetten van de fysica deblokkeert op een gegeven moment een samenleving. Goedschiks of kwaadschiks. Als dat zou gebeuren met regie en beleid en ook nog passend bij het karakter van een zich matigende maatschappij dan krijgt Europa een eigen identiteit, afwijkend van Amerika. Zo niet, dan illustreren deze verkiezingen de krampen van een achterhoedegevecht en is ons mondiale voorland Amerika. Daar vergaat de wereld niet van, het heeft voordelen en nadelen. Maar het zou ten slotte toch bovenal een zelfverloochening betekenen. Daarom raken de gebeurtenissen in Duitsland ons zoveel meer dan onze dagelijkse elektronische uitstapjes naar Amerika doen vermoeden.

Historicus en voormalig correspondent voor deze krant in Duitsland en de Verenigde Staten.