Dan maar koolzaad

Het kabinet gaat het tanken van biobrandstoffen met belastingmaatregelen stimuleren. Moet er wel zoveel geld naartoe? Wetenschappers zijn verdeeld.

UW AUTO LATEN RIJDEN op koolzaadolie, of op alcohol uit tarwe en suikerbieten. Het klinkt mooi en verantwoord. Het kabinet maakt volgende week tijdens prinsjesdag bekend de introductie van deze biobrandstoffen met tenminste honderd miljoen euro te steunen. Oliemaatschappijen moeten ze door benzine en diesel gaan mengen. Zo wordt Nederland minder afhankelijk van de import van fossiele brandstoffen. En het past in het Kyoto-verdrag dat de uitstoot van broeikasgassen wil verminderen. Maar zijn de huidige biobrandstoffen eigenlijk wel zoveel beter voor het milieu dan de fossiele brandstoffen? En als dat niet zo is, waarom stopt het kabinet er dan toch zoveel geld in?

``De milieuvoordelen vallen erg tegen. Je kunt het geld beter investeren in de ontwikkeling van nieuwe, schonere technologie'', zegt prof.dr. Wim Turkenburg, wetenschappelijk directeur van het Copernicus Instituut voor Duurzame Energie en Innovatie van de Universiteit Utrecht. Maar er is ook een andere mening. ``Er ligt altijd wel een betere technologie in het verschiet waarop je kunt gaan zitten wachten'', zegt dr.ir. Wolter Elbersen, onderzoeker bij Agrotechnology & Food Innovations, een onderdeel van Wageningen Universiteit en Researchcentrum. ``Je zult ergens moeten beginnen. En het is nu het goede moment om dat te doen.''

Het kabinet kan weinig anders. Het moet doelen halen die de Europese Unie oplegt. Twee jaar geleden zijn de EU-lidstaten overeengekomen om het aandeel van biobrandstoffen in benzine en diesel op te voeren tot 2 procent in 2005, en tot 5,75 procent in 2010. Er is ook breder beleid: in 2010 moet 12 procent van de energie uit wind, zon, waterkracht en biomassa komen.

stro en afvalhout

Nederland gaat het doel voor 2005 niet halen, en is daarvoor door Brussel op de vingers getikt. Nederland is lang niet het enige land dat achterblijft. Met uitzondering van Duitsland, Frankrijk, Spanje en Zweden doen de meeste EU-landen weinig tot niks aan biobrandstoffen – afwijken van de richtlijn mag, mits een land daarvoor goede argumenten kan geven. Denemarken vindt ze niet effectief genoeg bij het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen. Finland wacht liever op de brandstofgeneratie na koolzaadolie en bietenalcohol. Daarbij wordt zowel alcohol als diesel gemaakt uit houtige gewassen. Stro bijvoorbeeld, of afvalhout, of de stengels van maïs, soja en tarwe. Die beloven grotere milieu- en kostenvoordelen.

Binnen de EU heeft Duitsland, met de milieu-georiënteerde Grünen in het kabinet, het meest geïnvesteerd in biobrandstoffen. Vooral de productie van biodiesel, gemaakt uit koolzaadolie, krijgt steun. Het land maakt ruim 60 procent van alle in Europa geproduceerde biodiesel. Maar wat levert het op? Weinig, aldus Turkenburg. Er is vaak gesuggereerd dat biodiesel zo goed is voor het milieu. Je teelt planten, die tijdens hun groei het broeikasgas CO2 opnemen. Vervolgens haal je de olie uit de zaden, en maak je er diesel van. Die verbrand je in de automotor. Daarbij komt weliswaar CO2 vrij, maar die wordt elders weer opgenomen bij de nieuwe teelt van koolzaad. Kortom, een CO2-neutrale oplossing. Maar de teelt, het oogsten en het verwerken van koolzaad vraagt dermate veel energie (zie onderstaand artikel) dat het CO2-voordeel maar 30 procent is. Ook wat betreft de uitstoot van andere deeltjes – roet, stikstofoxiden – presteren de huidige biobrandstoffen niet veel beter dan benzine en diesel. ``De studies daarover leveren tegenstrijdige resultaten op'', zegt dr.ir. Michiel Makkee, die aan de TU Delft onderzoek doet aan onder meer biobrandstoffen.

landbouwlobby

Dat het kabinet de biobrandstoffen nu steunt is volgens Makkee te danken aan ``een enorme landbouwlobby''. Turkenburg denkt er hetzelfde over. Europese boeren hebben het moeilijker door de langzaam teruglopende subsidies uit Brussel, en grijpen alternatieve bronnen van inkomsten graag aan. Makkee vreest dat de steun negatieve gevolgen kan hebben. De burger kan het beeld krijgen dat biobrandstoffen per definitie geen voordeel opleveren. Ook Turkenburg heeft die angst. ``Je verpest het voor de volgende generatie biobrandstoffen'', zegt hij. Daar komt bij dat de productie van de huidige biobrandstoffen ongeveer vijf keer zo duur is vergeleken met de productie van conventionele benzine en diesel. ``Er zal nog jarenlang veel subsidie bij moeten wil je ze concurrerend houden'', zegt Turkenburg. Dat schreef hij eind vorig jaar ook in een studie, die de basis vormde voor een advies dat de VROM-raad en de Algemene Energieraad bij minister Brinkhorst van Economische Zaken neerlegden. In zijn studie noemt Turkenburg – die acht jaar lid is geweest van de VROM-raad, tot afgelopen januari – de huidige generatie biobrandstoffen ``weinig kansrijk''. Hij pleit ervoor nieuwe, schonere technologie te stimuleren. De beide raden namen zijn standpunt over.

In Duitsland is het niet anders, ondanks alle steun voor de huidige biobrandstoffen. In een advies aan de regering schreef de Duitse Adviesraad voor het Milieu vorige maand dat de biobrandstoffen momenteel een ``beperkt potentieel'' hebben. De raad vindt het zinniger om meer prioriteit te leggen bij het verder verbeteren van conventionele automotoren, via aanpassingen aan de versnellingsbak en brede invoering van hybride-technologie – dat zijn motoren die zowel op elektriciteit als op gas kunnen rijden. Ook het verkleinen en lichter maken van auto's zet meer zoden aan de dijk.

Elbersen vindt de steun voor biobrandstoffen wél goed. Hij wijst op de geleidelijke ontwikkeling in Brazilië, dat wereldwijd veruit de meeste bio-ethanol produceert. De productie ervan, uit suikerriet, is in 30 jaar tijd zover ontwikkeld en geoptimaliseerd dat het qua prijs inmiddels kan concurreren met benzine en diesel. Elbersen: ``Er wordt vaak verondersteld dat je een product op de markt kunt zetten als de technologie klaar is. Maar de ervaringen in de markt en introductie van grote en kleine innovaties zijn cruciaal. Je hebt dus een markt nodig waarin voldoende zekerheden zijn om innovaties (grote en kleine) te ontwikkelen en in te voeren. Dat is een belangrijke reden om nu te beginnen en niet te wachten op de tweede generatie biobrandstoffen.''

De eerste generatie biobrandstoffen komt met name uit tarwezaden, of suikerbieten. Het zetmeel in de zaden, of het suiker in de bieten, wordt door gist omgezet in ethanol. Maar de huidige industriële gisten hebben beperkte vermogens. Ze zetten vooral de zogeheten C6-suikers, zoals glucose, om. Deze suikers zijn opgebouwd uit zes koolstofatomen. Maar planten, met name de stengels, bevatten ook veel C5-suikers, die uit vijf koolstofatomen zijn opgebouwd.

Sinds kort bestaat er een genetisch gemanipuleerde gist die ook de C5-suikers kan afbreken. Deze gist bevat een extra gen, dat is ontdekt in een schimmel die leeft in de darm van de Indische olifant. Het gen bevat de code voor een enzym dat het houtsuiker xylose kan omzetten in alcohol. Het octrooi op het enzym is in handen van de Nederlandse alcoholfabrikant Nedalco. Dat bouwt, samen met de Amerikaanse multinational Cargill, in Sas van Gent een proeffabriek voor de productie van bio-ethanol uit houtige gewasresten uit de landbouw.

Het duurt nog minstens vijf jaar voordat deze technologie marktrijp is. Zo is er nog veel onderzoek nodig naar de afbraak van plantenstengels en houtafval in de afzonderlijke suikers glucose en xylose. Kortom, het Nederlandse kabinet kàn op dit moment ook weinig anders steunen dan koolzaadolie en bietenalcohol.

Als de Europese richtlijn er niet was, zou de Nederlandse overheid hebben gewacht met zijn steun. Denkt drs.ing. René van Ree van het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) in Petten. Hij doet onderzoek naar de technologie die de VROM-raad en de Algemene Energieraad als kansrijk zien voor de toekomst: het grootschalig vergassen van biomassa. Daarbij wordt biomassa, zoals houtsnippers en afval uit de landbouw, bij een temperatuur van 1.300 °C omgezet in een gas dat voornamelijk bestaat uit de moleculen koolmonoxide (CO) en waterstof (H2). Het gas wordt eerst gereinigd en vervolgens kan er een scala aan producten mee worden gemaakt. Superschone diesel, mengsels van alcoholen en waterstof. Het biedt ook de mogelijkheid om er elektriciteit mee te genereren. En om het vrijkomende CO2 weg te vangen, en ondergronds op te slaan. Maar ook in dit geval zal het nog zeker vijf jaar duren voordat dit product de markt op kan. Van Ree onderzoekt onder andere hoe je de biomassa het beste in kleine stukjes in de vergasser kunt krijgen, hoe het gas goed te reinigen is, en hoe je de as die als restproduct eruit komt kunt gebruiken voor commerciële doeleinden. Bijvoorbeeld als vulmiddel in de wegenbouw.

voorspellen

Als Nederland overstapt op grootschalig gebruik van biomassa, zal het dat moeten gaan importeren. De angst bestaat dat de zogenaamde energieteelt gaat concurreren met het verbouwen van voedselgewassen, of natuurgebieden opeist. Of dat gebeurt is moeilijk te voorspellen, zo blijkt uit een twee jaar geleden gepubliceerde studie van het RIVM in Bilthoven. Het hangt sterk af van onder meer de bevolkingsgroei en het dieet van de gemiddelde wereldburger. Die twee dingen laten zich moeilijk voorspellen. Het RIVM komt wel tot de conclusie dat biomassa alleen niet voldoende potentie heeft om de CO2-uitstoot wereldwijd met 80 procent te verminderen ten opzichte van 1990, een doel dat in 2050 bereikt moet zijn. Daarvoor zal de wereld veel meer opties moeten aangrijpen: opslag van CO2 in onderaardse olie- en gasvelden, het bouwen van windparken op zee en zonnecollectoren in woestijnen.

Volgens Turkenburg realiseert het Nederlandse kabinet zich niet voor welke uitdaging de mensheid staat: de risico's van klimaatverandering door het huidige energiegebruik moeten beperkt. Het ontbreekt het kabinet op dit gebied aan ambitie, vindt hij. ``Sinds Pim Fortuyn heeft het thema veel te weinig aandacht gekregen van de politiek.''

    • Marcel aan de Brugh