Buitenpromovendi

Met z'n tienen zitten ze bij mij thuis om de grote tafel, ongeveer evenveel mannen als vrouwen. Een hoofdconservator van een museum, een directeur van een HBO-opleiding, een archivaris, hoge onderwijsambtenaren, en verder leraren aan middelbare scholen, een enkeling net gepensioneerd, de anderen druk doende. Ze komen uit Heerlen en Boxtel, uit Apeldoorn en Amsterdam, uit Arnhem en Hedel. Er is een vrouw bij uit Kalmukkië, die verbazend goed Nederlands spreekt. Allemaal hebben ze in hun kop zitten dat ze een dissertatie willen schrijven. Het zijn mijn zogenaamde buitenpromovendi.

De meesten zijn over de vijftig, een enkele wat ouder, een enkele wat jonger. Ze zijn overbezet en weten niet hoe ze de tijd voor onderzoek vrij moeten maken. Ze stelen vakantiedagen van zichzelf om in een archief te gaan zitten. Trots vertellen ze het: deze zomer maar tien dagen weggeweest, twintig dagen uitgetrokken om hoofdstuk twee op te zetten. 's Avonds gaat de televisie uit na het journaal en dan plaatsen ze zich achter het beeldscherm dat hun medestander is in de harde strijd om de vrije tijd. Sommige van de mannen moeten het met hun vrouwen op een akkoordje gooien. Als ze een afspraak met mij in Amsterdam maken, nemen ze hun vrouwen mee alsof het een dagje uit is. De vrouwen gaan winkelen of bezoeken musea, de mannen overleggen en zoeken literatuur. Aan het eind van de dag voegen ze zich weer samen en gaan borrelen en uit eten.

Vroeger was elke promovendus een buitenpromovendus. Dat iemand door de overheid betaald zou worden om een proefschrift te schrijven was ondenkbaar. Je deed dat in je vrije tijd. Er waren nogal wat leraren die in de avonduren ploeterden aan een dissertatie, en na vele jaren de doctorstitel behaalden. Ik herinner me dat er op mijn middelbare school met bewondering gesproken werd over gepromoveerde leraren. De status van de school werd afgemeten aan het aantal doctors. We hadden zelfs een gepromoveerde lerares, en dat was zeer uitzonderlijk in het Zuiden. Het vrijetijdskarakter van het proefschrift zou nog lang blijven bestaan. Toen ik in 1975 aantrad als wetenschappelijk medewerker aan de universiteit, was nog vrijwel niemand van mijn collega's gepromoveerd. Wie een proefschrift wilde schrijven deed dat naast zijn werk. Een verplichting was er niet. Soms was er wel een hoogleraar die lichte aandrang uitoefende, maar wanneer een docent poneerde dat promoveren iets voor de kapitalistische elite was, dan schrompelde de hoogleraar in elkaar en zweeg. Betaalde promovendi zullen er incidenteel wel geweest zijn, zeker aan de bèta-faculteiten, maar de universiteit kent pas structurele promovendiplaatsen sinds de late jaren tachtig van de vorige eeuw. Die worden sindsdien ingenomen door jonge, meestal net afgestudeerde, wetenschappers, die een computer, een werkplek, een promotor, een salaris en een toegespitste opleiding aangeboden krijgen. Binnen een paar jaar moeten ze gepromoveerd zijn. Als ze het halen worden ze ontslagen, en als ze het niet halen ook. Er is toch heel veel belangstelling voor deze plaatsen.

Maar deze mensen aan mijn tafel, die buitenpromovendi, die lang geleden afgestudeerd zijn, wat bezielt ze om naar iets te streven dat geen enkel ander voordeel dan een tikkeltje meer prestige oplevert? Wat win je nou helemaal als je promoveert? Je mag je dr. noemen in plaats van drs., dus je verliest een s, dat is alles. Vroeger kreeg je aan de universiteit een salarisverhoging na je promotie, maar dat is zeker niet zo in de banen van deze mensen. Voor hen is het alleen maar een kostbare zaak. Er is geen reisvergoeding voor onderzoek in verre archieven of bibliotheken. Ze kunnen niet gratis lid van een universiteitsbibliotheek worden. Het drukken van het proefschrift zal een paar duizend euro gaan kosten en als de promotie gevierd wordt, zijn er de kosten van een receptie. Er zijn wel subsidies te krijgen voor het financieren van het drukken, maar het staat veel van deze oudere promovendi tegen om te gaan bedelen voor een paar euro's. Het is vernederend, en bovendien kost het nogal wat tijd. Wat is dan de winst van het promoveren? Heeft een doctor in de maatschappij een hoger aanzien? Ik geloof niet dat een intellectuele titel nu nog tot verhoging van aanzien leidt. Ik moet zelf altijd lachen als ik advertenties van makelaars of hypotheekverstrekkers zie die zich uitdrukkelijk aanprijzen als `drs. Brugmans', en denk erbij dat iemand die zich zo moet aanprijzen wel een academische charlatan moet zijn. Overigens ken ik ook een geleerde historicus die er zich nadrukkelijk op voorstaat slechts doctorandus te zijn. Zijn publicatielijst is indrukwekkend, en vaak wordt hij dan ook met de titel `doctor' aangeschreven, maar dan ontvangt de afzender altijd een corrigerende mail of brief.

Toch weet ik hoe belangrijk een promotie is voor de betrokkene zelf. Een collega vertelde me van een negentigjarige promovendus die kort voor de promotie in het ziekenhuis opgenomen werd. De promotiecommissie is in toga naar het ziekenhuis gegaan, waar de plechtigheid in de gebedsruimte voltrokken werd, zonder het gebruikelijke vragenuurtje en het `hora est'. De zieke man weende van geluk toen hij de fluwelen koker met de bul ontving. Twee dagen later was hij overleden. Een paar jaar geleden mocht ik bekend maken aan een eminente geleerde dat hij een eredoctoraat uitgereikt zou krijgen aan de Amsterdamse universiteit. De betreffende man had na zijn gymnasiumjaren niet kunnen gaan studeren, omdat zijn ouders het geld er niet voor hadden. Op eigen kracht had hij zich een benijdenswaardige academische kennis eigen gemaakt. Toen ik hem het nieuws vertelde, zweeg hij enige seconden, en zei toen: `Nu is mijn hele jeugd goedgemaakt.'

Van mijn eigen promotie herinner ik me vooral het overwinningsgevoel. Deze titel pakt niemand me af, dacht ik. Al zeg ik nu mijn baan aan de universiteit op en word ik schaapherder of vroedvrouw, ik blijf doctor Mathijsen. Maar wat het meest telde was toch het boek zelf. Het lag daar op de academische tafel een demonstratie te zijn van wat ik kon en van wat ik naar buiten wilde brengen met mijn onderzoek. Het was tegelijkertijd een eer voor mezelf en voor de mensen die achter me gestaan hadden. Voor hen straalde ik misschien nog wel het meest.

Maar deze tien mensen, die buiten de universiteiten staan, waarom komen ze bij elkaar om te spreken over probleemstellingen, afbakening van onderzoeksterreinen, definities van begrippen en problemen met database-invoer? Ze hebben prachtige onderwerpen voor hun dissertaties. De een wil een biografie van De Génestet schrijven, de ander wil laten zien dat het tijdschrift De Gemeenschap meer geweest is dan een katholiek literair blad. De archivaris bestudeert almanakken, de conservator schrijft de geschiedenis van zijn museum. De literatuur van vrouwen wordt onderzocht, en de invloed van de religie op het leesonderwijs in Brabant. De vrouw uit Kalmukkië bestudeert de eerste man die haar land beschreef, een Nederlander uit de zeventiende eeuw. Meestal zijn het onderwerpen die ze in hun studententijd al bestudeerden. Ze hebben allemaal een lange adem. Het maakt hun niet uit of het nog vijf jaar duurt voordat ze kunnen promoveren.

Als het boek maar goed is. Hun motivatie komt, als ik het goed zie, voort uit een droom die ze als student hadden. In die jaren werden ze gefascineerd door een bepaald onderwerp. Ze schreven er een doctoraalscriptie over, ze kregen er een mooi cijfer voor, en ze trokken de maatschappij in. Maar het onderwerp bleef door hun hoofden wroeten. Ze bleven lezen wat erover verscheen, ze kochten boeken die ermee te maken hadden, maar van een uitwerking kwam het niet meer. En de fascinatie nam niet af. Nu beseffen ze dat er een leeftijd komt waarop het niet meer kan. Lang voordat ze aan de rollator toe zijn, willen ze nog de archieven en bibliotheken in, om waar te maken wat ze ooit als droom onvoltooid hebben achtergelaten. Ze doen me denken aan de dichter en reclamemaker Martin Veltman, die ik goed gekend heb. Op zijn twintigste was hij dichter, op zijn vijftigste werd hij het weer. Daartussen verdiende hij tonnen geld en oogstte dik succes als reclameschrijver. `Ik heb die jongen van twintig in de steek gelaten', zei hij om zijn terugkeer als dichter te verklaren. `Dat kan ik mezelf nooit vergeven.' Dat is wat mijn buitenpromovendi ook drijft: ze zoeken de jongen of het meisje van twintig in zichzelf terug, om af te maken wat ze ooit aan zichzelf beloofd hebben.

    • Marita Mathijsen