Buiten spelen is niet meer gewoon

Kinderen moeten meer buiten spelen, vindt minister Dekker. Tegen het overgewicht en voor de sociale vaardigheden. Maar de ruimte is beperkt en de vermeende gevaren zijn groot.

Anya, Jasper, Jasmijn en Kenan doen niets liever dan buiten spelen, zeggen ze. Ze zijn negen en tien jaar en ze wonen in een drukke buurt van Amsterdam. Anya legt uit: ,,Computer en televisie zijn saai. Het zijn toch maar doosjes in de hoek van de kamer''. Doorvragen leert dat ze wel buiten mogen spelen zonder hun ouders, maar alleen op de stoep in hun straat. Ze zitten geen van allen op een sport – wel op de muziekschool en de tuinclub – en ze krijgen op school drie kwartier gymles per week. Jasper fietst elke dag twintig minuten, de anderen lopen naar school, om de hoek.

Buiten spelen. Volwassenen worden lyrisch als ze eraan terugdenken. Bomen beklimmen, slootje springen, voetballen – en niet gestoord door ouders. Maar kinderen doen het tegenwoordig te weinig, waarschuwde minister Dekker (VROM) begin deze week.

Jeugdarts Ben Rensen in Utrecht verbaast dat niet: gemeenten vinden parkeerplekken belangrijker dan speelplaatsen, zegt hij. ,,Er is gerekend en toen bleek dat er in steden per auto tien vierkante meter beschikbaar is en per kind slechts vier vierkante meter.''

De gevolgen zijn groot, zegt Rensen. Te weinig buiten spelen draagt niet alleen bij aan overgewicht. ,,Het heeft gevolgen voor de motorische en de intellectuele ontwikkeling. Als je buiten speelt, leer je afstanden inschatten, je leert begrippen als boven, onder, links, rechts. Je krijgt ruimtelijk inzicht, dat je weer nodig hebt voor wiskunde. En de interactie met andere kinderen is goed voor de taalontwikkeling en sociale vaardigheden.'' In zijn werk ziet Rensen onmiddellijk welke kinderen te weinig buiten spelen. Aan de motoriek. ,,Ze kunnen amper hinkelen. En als de grove motoriek achterblijft, stokt ook de fijne motoriek.''

Ouders beschermen hun kinderen ook te veel, vindt Rensen. ,,Als een kind nooit valt, dan leert hij niet zijn val te breken. Hij kan beter vaak gedoseerd vallen, dan nooit vallen en dan opeens een keer keihard.'' Kinderen moeten leren rekening te houden met de gevaren die er zijn en dat doe je alleen door veel buiten te zijn, zegt directeur Henk Kasbergen van Jantje Beton, een liefdadigheidsinstelling die ijvert voor meer buitenruimte voor kinderen. Volgens Kasbergen halen gemeenten ,,lang niet'' de 3 procent openbare ruimte die volgens deskundigen nodig zou zijn voor veilige speelplekken.

De gevaren in de stad zijn talrijk, of in elk geval de gevaren die ouders menen te zien: auto's, hondenpoep, injectienaalden die verslaafden laten slingeren, andere, vervelende kinderen, enge mannen. Kasbergen: ,,De menselijke maat is verdwenen en daardoor zijn mensen banger dan voorheen.''

Het tekort aan betaalbare huizen met tuinen in de grote steden, heeft veel ouders de stad uitgejaagd. Zodra het tweede kind werd geboren, verruilden ze een bovenverdieping voor omliggende gemeenten. Florine Langen (40) ging vijf jaar geleden van drie hoog in Amsterdam naar een woonerf in Amstelveen, met man en baby van tien maanden. ,,We hadden wel een park in Amsterdam, maar als ik daar op een kleedje lag met de baby werd ik lastig gevallen door groepjes jongens. Hier spelen mijn zoontjes dagelijks in de tuin en mogen ze ook alleen naar de zandbak twintig meter voor het huis.'' Auto's zijn haar grootste angst, ook al rijden de meeste automobilisten hier stapvoets.

Maar ook in omliggende gemeenten als Amstelveen, Zoetermeer of Gouda is er `stedelijke inbreiding'. Dat is jargon voor elk leeg plekje in de stad bebouwen met woningen, parkeerplekken of kantoren. Dit spaart het groen om de stad heen, maar gaat volgens Jantje Beton ten koste van de schaarse openbare speelruimte ín verstedelijkte gebieden.

Zelfs in het kleine Zeeuwse dorp Gapinge is het niet meer onbekommerd buiten spelen zoals vroeger, vertelt Elsbeth Dingemanse. ,,Mijn moeder zei: `als je maar om vijf uur thuis bent!' en dan gingen we weg. Maar ik wil altijd weten waar mijn zoontjes zijn. We hebben een erf van 3.000 vierkante meter, dus ze hebben het geluk dat ze de hele dag buiten kunnen spelen. Maar wel binnen het hek. Als de oudste met een vriendje naar het voetbalveld hier loopt, dan moet hij dat melden. De wereld is veranderd: auto's rijden harder en je weet toch niet zeker wie ze tegenkomen. Zelfs in Gapinge.''

Zelfstandig buiten spelen wordt zeldzamer, maar bewegen is überhaupt geen prioriteit, blijkt op basisscholen. De meeste hebben geen gymleerkracht meer, legt adjunct-directeur Van Dijk van basisschool Dol-Fijn in Deventer uit. ,,De school mag beslissen waar ze haar budget aan besteedt. En als we een gymleraar nemen, dan gaat dat ten koste van formatieplaatsen voor gewone leraren. Dus dat doen we niet''.

Openbare basisschool het Roessink in Deventer heeft wel een gymleraar, twee halve dagen per week. Maar dat lost niet alles op, zegt directeur Karin Steghuis. ,,Het is ook aan de ouders. Kinderen zijn de hele dag op school en daarna houdt onze bemoeienis wel een keer op. Kinderen kijken tegenwoordig veel televisie en spelen op de computer. Als ouders daar geen grenzen aan stellen, dan blijven ze binnen.'' Is dat slecht voor hun ontwikkeling? ,,Nou, achter de computer zitten is erg individualistisch.''

Er bestaat ook een nieuwe `aansprakelijkheidscultuur', stelt Kasbergen vast. ,,Speeltuinen-bouwers, peuterleidsters en gemeenten zijn bang om aansprakelijk te worden gesteld als een kind ernstig valt. De veiligheidseisen zijn daarom erg hoog. Een kind mag geloof ik niet verder dan 60 centimeter vallen!''

Speelmogelijkheden creëren, is volgens Kasbergen niet alleen een kwestie van geld. ,,Er zijn overal plantsoenen. Iedereen denkt dat die er zijn om naar te kijken. Maar waarom zou je er niet een balletje op mogen trappen? Bomen zijn uitgevonden om in te klimmen, anders konden ze vroeger toch nooit bij die appel? De meeste gemeentebomen hebben niet één tak waar een kind bij kan.''